Historie van de Doopsgezinden

Uit een lezing door professor P. Visser

Luther, Calvijn en Zwingli

In de 16e eeuw waren het Maarten Luther (Duitsland), Huldrych Zwingli (Zwitserland) en Johannes Calvijn (Frankrijk) die in de toenmalige (Rooms-) Katholieke Kerk daarin geslopen misstanden aan de kaak stelden.
Ze hadden de bedoeling om de katholieke Kerk van binnenuit te hervormen. Door de paus en andere leiders binnen de Katholieke Kerk werd de Reformatie echter afgewezen en bestreden, hierbij gesteund door rooms-katholieke vorsten onder leiding van de jonge keizer Karel V. Hierdoor kwam het tot een breuk tussen de gereformeerden en de rooms-katholieken. Ondanks het verzet groeide de aanhang van de hervormingsgezinden snel, onder meer dankzij de verbreiding van de boekdrukkunst; ook voedde de Reformatie de politieke tegenstellingen tussen Europese vorsten en edelen, met als gevolg verschillende godsdienstoorlogen en opstanden. De invloed van de Reformatie strekt(e) zich uit over vele landen en is tot op de dag van vandaag merkbaar in kerk en samenleving over een groot deel van de wereld. De zestiende-eeuwse Reformatie wordt door protestanten gezien als een grote en diep ingrijpende opwekking in de kerk.

Kerk gesplitst in drie delen

Vanaf de Reformatie was de christelijke kerk in drie delen te onderscheiden: de Rooms-katholieke kerk, de Oosters-orthodoxe kerk (schisma in 1054) en de Reformatorische kerken (protestanten). De Rooms-katholieke kerk werd door de Reformatie min of meer gedwongen een concilie te houden (concilie van Trente, 1545 tot 1563) met als doel de misstanden en misbruiken binnen de Katholieke Kerk aan te pakken. Op dit concilie werden in 126 stellingen onderdelen van de protestantse leer als dwaling gekenmerkt.
Zodoende kan men het concilie van Trente beschouwen als het hart van de zogenaamde contrareformatie. De besluiten van dit concilie hebben tot op de dag van vandaag geldingskracht in de Rooms-katholieke Kerk.

Het leven van de protestanten in de (Rooms-) Katholiek gebleven delen van Europa werd veelal bemoeilijkt. Zij werden slachtoffer van politieke en religieuze vervolging in gebieden waar zij niet de overhand kregen. Maar waar de protestanten in de meerderheid waren (in het noorden en westen van Europa) werden de katholieken tot tweederangsburgers gereduceerd, al werden zij in het algemeen niet gedood louter op grond van hun geloofsovertuiging. Vanwege de vermenging van kerk en staat liepen godsdienstige en machtspolitieke kwesties altijd door elkaar. Deze vervolgingen en uitsluitingen hebben enkele eeuwen geduurd.

De wortels van de Doopsgezinden

Een bijzondere stroming binnen de Reformatie zou ik willen uitlichten. Deze stroming legde de bijzondere nadruk op de opvattingen zoals beschreven in het boek Handelingen. Wij kennen ze als 'anabaptisten' of 'wederdopers'. Zoals de leer van de Nederlandse protestanten is gebaseerd op leringen van Calvijn, de Duitse protestanten op die van Luther, zo hebben de Doopsgezinden hun wortels gedeeltelijk bij Zwingli.
Het anabaptisme ontstond in Zürich. De leider van de Reformatie in Zürich, Ulrich Zwingli, sprak zich in 1523 in een studiekring uit voor de volwassendoop. Maar toen bleek dat de stadsraad van Zürich om politieke redenen niet van de kinderdoop af wilde (kinderdoop betekende tevens inschrijving in de stadsregisters) onderwierp Zwingli zich aan de richtlijnen van de overheid en herzag zijn standpunt. Leerlingen van hem waren het hier niet mee eens en zo keerden zij in 1524 zich van Zwingli af, omdat in de ogen van deze radicalen de hervormers als vanouds weer de steun van de overheden zochten, wat Jezus niet had geleerd.

Eerste doperse gemeenten

In Zollikon vormde zich de eerste doperse gemeente, die meteen bestreden werd door Zwingli. Hij gaf hun de naam anabaptisten in aansluiting op de kerkvader Augustinus die zijn donatistische tegenstanders zo had genoemd, omdat zij zich over lieten dopen wanneer de doop door een in hun ogen onwaardige priester was bediend. Naast Zwingli spraken ook de andere reformatoren zoals Maarten Luther en Johannes Calvijn zich op theologische gronden uit tegen de volwassendoop.
Doordat zij zich van de 'wereld' afzonderden, zelf de bijbel bestudeerden en (geheime) gemeenten stichtten werden zij door katholieken èn hervormers zij verketterd waarmee de vervolging begon. Tezelfdertijd ontstonden behalve in Zwitserland ook in Duitsland en Nederland doperse bewegingen. Zij hadden met elkaar gemeen dat dogmatische leerregels taboe waren, maar het evangelie de norm bepaalde. De gemeenschap van gelovigen diende haar leven in te richten naar Christus' voorbeeld.
Doordat het gedoopt zijn een belangrijk onderdeel was van de identiteit van de burgers werden degenen die de zuigelingendoop niet erkenden als ondermijners van de stedelijke eenheid beschouwd.

Eerste dopers martelaar

De Zürichse magistraat voerde een harde politiek tegen de dopers. De eerste martelaar uit de beweging werd Felix Manz. Hij werd in januari 1527 omgebracht door verdrinking, een symbolische straf voor een "wederdoper". De doperse beweging ging hierop "ondergronds". Dit verhinderde echter niet dat zij zich in korte tijd door een groot deel van Europa verspreidde.
Veel Zwitserse dopers ontvluchten daarom hun land. Een de belangrijkste was Balthasar Hubmaier. Toen deze terugkeerde naar zijn geboorteplaats Waldshut en daar een gemeente stichtte werd hij gevangengenomen en in 1528 in Wenen op de brandstapel gedood.

Het debacle van Melchior Hofmann

Vanuit Zürich was ook in Straatsburg een doperse gemeente ontstaan. Hier kwam in 1529 Melchior Hofmann, een van oorsprong lutherse lekenprediker die er chiliastische ideeën (leer van een duizend jarig rijk) op nahield. Hij verwachtte dat in 1533 het Duizendjarig Rijk op aarde zou beginnen. Omdat hij gearresteerd dreigde te worden ontvluchtte hij in 1530 de stad en werd de belangrijkste prediker van de doperse ideeën in het noorden van Duitsland en de Nederlanden. Waar Hofmann nog pacifistisch was en geweld afwees, waren verschillende van zijn leerlingen bereid om de komst van dat Duizendjarig Rijk met geweld te bevorderen. Onder leiding van Jan Matthijs en later Jan van Leiden werd de stad Münster in 1533 uitgeroepen tot het Nieuwe Jeruzalem. Jan van Leiden voerde een schrikbewind en de stad werd in 1535 weer veroverd door de bisschop, ondanks pogingen van Nederlandse dopers om de stad te ontzetten. De leiders van de wederdopers werden na hun terreurbewind geëxecuteerd. Hun lijken werden in kooien tentoongesteld. Deze drie kooien bevinden zich nog steeds aan de toren van de St.Lamberti-kerk in Münster.
n 1535 werd nog een mislukte aanslag op Amsterdam uitgevoerd, het wederdopersoproer, en in de jaren daarna maakten de aanhangers van Jan van Batenburg de Nederlanden onveilig. Hij werd in 1537 gevangengenomen, waarna het pacifisme ook in de Nederlanden weer een belangrijk kenmerk van de doperse beweging werd.

Menno Simons

Vanaf 1539 bouwde Menno Simons, de voormalige Friese pastoor van Witmarsum uit de puinhopen van het mislukte en neergeslagen Münsterse geloofsexperiment een geloofsgemeenschap op van nuchterder en vreedzamer aard. Dat zou voor Menno en de zijnen een zeer lastig verhaal worden, omdat juist door die Münsterse ellende alle wereldlijke en kerkelijke overheden nog meer gebeten waren op alles wat naar de doperse leer riekte, dan ooit te voren. Vanaf 1535 zouden inquisitie en justitie feller dan voorheen het op deze ketters voorzien hebben. Ook op Menno’s hoofd werd al spoedig een beloning gezet van 250 Carolus guldens. Menno werd een nieuwe kerkleider-op-de-vlucht! Dat hij er desondanks toch in geslaagd is het doperdom een nieuw, bijbels en vreedzaam gezicht te geven, mag daarom welhaast een wonder heten en dwingt dan ook veel respect af. Van meet af probeerde Menno de overheden mild te stemmen. Hij wees elke connectie met de Münsterse dopers resoluut van de hand; hij moest niets hebben van dat dwaze profetengedoe; hij preekte volkomen geweldloosheid. Zijn mensen zouden zich aan elke overheid onderdanig onderwerpen, belasting betalen en trouw burgerschap tonen, tenminste zolang de overheid zich niet bemoeide met het vrije, persoonlijke geweten, met de eigen particuliere geloofsopvattingen. Niet een vorst of een keizer, noch een bisschop of een paus mocht zich het recht toe-eigenen om te beschikken over het menselijke geweten. Daarin, in geloofszaken die op de zuivere, bijbelse leer gebaseerd zijn, mag alleen God het laatste oordeel vellen.

Volgelingen van Menno als ketters beschouwd

Maar hoe Menno ook probeerde om de overheden gunstig te stemmen, en zich beriep op enkel het evangelie, dat alles kon niet verhinderen dat hij en zijn aanhang in de ogen van de keizer en de koning - ijverige verdedigers van de enige ware katholieke moederkerk - als verwerpelijke ketters en staatsgevaarlijke oproerlingen werden beschouwd. De kerk van Menno Simons, Nederlands eerste en enige hervormer, bleef genoodzaakt een illegaal, ondergronds bestaan te leiden. Honderden, duizenden dopers, toen al mennonisten of mennonieten genoemd, zouden ons land dan ook ontvluchten en asiel zoeken in het huidige Polen. En wie zo ongelukkig was om opgepakt te worden, belandde in het gevang, werd aan scherpe verhoren en martelingen onderworpen, om uiteindelijk op de brandstapel te belanden, of te worden onthoofd, opgehangen, of met stenen aan het lijf gebonden in het water gegooid. Deze vervolgingstijd zou tot omstreeks 1575 duren, zo’n 40 jaar lang. In totaal heeft ze zo’n 2000 mannen en vrouwen het leven gekost: mensen die met de dood voor ogen vast hebben gehouden aan hun geloof en hun principes. Veel van die geschiedenissen kennen we nog dankzij de vele 16de-eeuwse martelaarsliederen en -verhalen die in de zogenaamde martelaarsspiegels verzameld zijn. In een verslag van 19 december 1567, geschreven door verschillende dorpspastoors (6 jaar na Menno’s dood) sprak men nog over de 'infectie der mennonisten' binnen hun parochies.

Bron: Lezing te Broek op Langedijk uitgesproken door professor P. Visser op 29 november 2008
bij de viering van het 150-jarig bestaan van het kerkgebouw.