Bekende Nederlanders
met een Doopsgezinde achtergrond:
 

Voor gedetailleerde informatie over deze Nederlanders: klik op de betreffende naam op de balk.

(Deze informatie is afkomstig uit WIKIPEDIA)

Jan Adriaenszoon Leeghwater
(De Rijp, 1575 - Amsterdam, 1650) was een Nederlandse molenmaker en waterbouwkundige. Hij bedacht de houten achtkant en de bovenkruiende oliemolen. Daarmee was het mogelijk de molen altijd recht in de wind te zetten, te kruien. Hij was betrokken bij diverse droogmakerijen. Bovendien heeft hij geholpen bij het plaatsen van nieuwe uurwerken en carillons voor de Amsterdamse Zuidertoren en Westertoren.

Leeghwater werd geboren als zoon van timmerman Adriaan Symonszoon. Hij had twee oudere broers, Symon en Adriaan. Hij kreeg het oppertoezicht over de poldermolens die bij de droogmaking van de Beemster in 1612 werden gebruikt. Mede onder zijn leiding werden in Noord-Holland tussen 1607 en 1643 diverse plassen drooggelegd: Heerhugowaard 1625, Purmer 1622, Schermer 1635, Starnmeer en De Wormer 1626. Bij het Beleg van 's-Hertogenbosch in 1629 had hij de leiding bij het droogleggen van de moerassen rondom het door de Staatse troepen belegerde 's-Hertogenbosch. In het buitenland adviseerde hij bij het droogleggen van moerassen bij Bordeaux 1628 en bij Metz 1630 en in 1633 was hij in Sleeswijk-Holstein betrokken bij de afsluiting van het Bottschlotter Tief in de buurt van Dagebüll. De afsluitdijk wordt op sommige plaatsen Holländerdeich genoemd.

In 1641 publiceerde Leeghwater zijn Haarlemmermeer-boek. Hij was hiermee een van de eersten die pleitten voor drooglegging van het gevaarlijk groeiende Haarlemmermeer, ook wel de Waterwolf genoemd. Pas in 1852 werd dit gerealiseerd. Een van de drie grote gemalen die hierbij werden gebruikt, werd naar hem genoemd. Dit Gemaal De Leeghwater, aan de zuidrand van de Haarlemmermeer, is nog steeds in gebruik.

 

Joost van den Vondel

1587-1597: Geboorte tot vestiging in Amsterdam
Joost van den Vondel werd op 17 november 1587 in Keulen geboren als oudste van zeven kinderen van Joost van den Vondel en Sara Cranen. Zijn grootvader van moederszijde, de Antwerpenaar Peter Kranen, was in achting onder de Brabantse dichters.
Vondels doopsgezinde ouders waren in 1582 de stad Antwerpen ontvlucht. Waarschijnlijk leverde hun godsdienstige overtuiging ook in Keulen problemen op, want het gezin vertrok in 1595. In Utrecht ging Joost naar school, waar hij de opvoering van een Latijns schooldrama bijwoonde. In maart 1597 vestigden zij zich in de Warmoesstraat te Amsterdam, waar Vondel sr. koopman in zijde werd, voornamelijk kousen. Zijn winkel heette de Trouw.

1597-1610: literaire debuut
Het oudste bekende gedicht van Vondel, genaamd Schriftuerlijck Bruylofts Reffereyn, dateert van 1605 en was nog geheel in rederijkerstijl. In de twee jaar daarna schreef Vondel nog enkele vrij onbekend gebleven gedichten, die zijn verschenen in de bundel Den nieuwen verbeterden Lust- Hof (1607). Mogelijk waren deze gedichten onder meer bedoeld voor de Brabantse rederijkerskamer waarvan Vondel inmiddels lid was.

1610-1635: Eerste huwelijk, begin literaire carrière
In 1608 overleed vader Vondel, waarop Sara kousenzaak de Trouw samen met zoon Joost voortzette. Joost van den Vondel trouwde in 1610 met Mayke de Wolff (Keulen, 1586 - Amsterdam, 15 februari 1635), met wie hij de winkel verder bestierde. Zij was de zus van Vondels zwager. In 1612 werd hun zoon Joost geboren, vervolgens dochter Anna (rond 1620) en daarna Sara. In mei 1618 begroef Vondel bovendien een kind over wie verder geen gegevens voorhanden zijn. Vondel heeft mogelijk nog meer kinderen gehad, maar hierover is niets bekend.
Vondel trad in deze periode toe tot een meer rekkelijke Doopsgezinde richting, de 'Waterlanders', waar hij van 1616 tot 1620 diaken was. Hij schreef in deze periode een aantal kerkliederen en stichtelijke liederen.
Vondel werd lid van de Brabantse rederijkerskamer "Het Wit Lavendel". Het Frans beheerste hij al. In 1613 begon hij ook Latijn te leren om Seneca te kunnen lezen, en later leerde hij Grieks om zijn toneelstuk Palamedes oft vermoorde onnooselheit te kunnen schrijven. In de zomer van dat jaar schreef hij een groot lierdicht, het Hymnus over de Scheepsvaert.

In de periode 1621-25 schreef Vondel overwegend gedichten voor zijn familie en kennissen. Daarnaast schreef hij enkele lofdichten over boeken.
De controverse rond Johan van Oldenbarnevelt en prins Maurits was de aanleiding voor Vondel om Palamedes te schrijven; met de 'vermoorde onnozelheid' werd de terechtgestelde Oldenbarnevelt aangeduid, en in de figuur van koning Agamemnon kon de overwinnaar prins Maurits worden herkend. Het stuk verscheen in oktober 1625, enkele maanden na het overlijden van Maurits. Palamedes is een scherpe kritiek op de stadhouder Maurits, en Vondel moest Amsterdam vanwege de negatieve reacties op het stuk ontvluchten. Hij verbleef enige tijd in Beverwijk, maar moest toch vanwege het werk terechtstaan voor de schepenbank. De regering in Amsterdam wilde hem niet voor het Hof van Holland leiden. De voor die tijd forse boete van 300 gulden is mogelijk door schepen Albert Coenraads Burgh betaald, die Vondel het idee van zijn toneelstuk aan de hand had gedaan. Palamedes werd desondanks een populair toneelstuk, waarvan tot 1800 minstens vijftien drukken zijn verschenen.
In 1628 reisde Vondel omwille van het familiebedrijf voor de eerste keer af naar Denemarken. Later in zijn leven zou hij dit nog eens doen.
In de persoonlijke sfeer volgden hierna voor Vondel een aantal zeer zware jaren. In 1628 overleed zijn broer Willem, in 1630 ook zijn zus Sara. In 1632 of 1633 overleed Vondels pasgeboren zoontje Constantijn. In 1633 overleed ook zijn dochter Sarah, slechts acht jaar oud. In totaal zijn drie van Vondels in totaal vijf (bekende) kinderen jong overleden. Voor zijn jong gestorven kinderen schreef hij de klaagzangen Constantijntje, zalig kijntje (1632-1632) cfr. Kinder-lijck (1632) en Saartje, de vreught van de buurt (1625-1633) cfr. Uitvaert van mijn Dochterken (1633). De dood van zijn vrouw begin 1635 was voor Vondel een volgende zware slag. In mei 1637 overleed ten slotte zijn moeder.

Tragedies, overgang naar het katholicisme, faillissement, reizen
De eerste jaren nadat hij vele dierbaren had verloren ging Vondel zich toeleggen op het schrijven van toneelstukken. In de periode 1637-1667 schreef hij in totaal twintig tragedies, waarvan Gijsbrecht van Aemstel zonder meer de bekendste is.
In 1641 ging Vondel officieel over van de doopsgezinden naar het rooms-katholieke geloof. Hij hoopte meer zielenrust en gezag te vinden. Zijn 'bekering' werd hem niet in dank afgenomen in de hoofdstad van de Republiek, waar calvinistische predikanten veel invloed hadden. Hij kreeg wel veel nieuwe kennissen, terwijl de meeste van zijn oude vrienden hem niet afvielen vanwege zijn keuze. Het was voor Vondel een voordeel dat de schouwburg in Amsterdam vooral een katholieke aangelegenheid was: schouwburgbestuurders Jan Vos (dichter) en Claes Cornelisz. Moeyaert (schilder) waren katholiek.
In de jaren 1640 werden teksten van Vondel op muziek gezet door de vooraanstaande componisten Cornelis Padbrué en Cornelis de Leeuw.
In 1643 droeg Vondel de zijdehandel over aan zijn zoon Joost, die net was getrouwd met Aeltje van Bancken. Nu Vondel deze verantwoordelijkheid kwijt was legde hij zich weer meer op het dichten toe en schreef met name gelegenheidsgedichten, bijvoorbeeld voor bruiloften. De jaren daarna kwamen er twee dichtbundels van Vondel uit. Ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag schreef hij een van zijn weinige gedichten die over hemzelf gingen.
Joost junior en diens echtgenote trokken bij Vondel in de zaak, die van nr. 39 naar nr. 110 in de Warmoesstraat verhuisde. Dit ging echter niet lang goed. Zoon Joost werd in 1648 weduwnaar en hertrouwde met Baertje Hooft, een spilzieke vrouw met wie Vondel en dochter Anna niet goed overweg konden. In 1652 trokken Vondel en zijn dochter hun handen geheel van de zaak af en lieten die aan Joost junior over. De Trouw was hierna geen lang leven meer beschoren en in 1656 ging de zaak uiteindelijk failliet, waarna Vondel de torenhoge schulden van zijn zoon overnam en daardoor zelf nagenoeg straatarm werd. Omdat zijn zoon Joost door zorgeloosheid in moeilijkheden was gekomen, reisde Vondel in 1657 opnieuw naar Denemarken om schulden in te vorderen. Hij dichtte O, Goon! wilt mij verlossen van deze Deensche ossen. Een jaar later hielp de gemeente Amsterdam hem uit de brand; hij kreeg tegen een hoog salaris een aanstelling als suppoost (boekhouder) bij de Stadsbank van Lening, een zogenaamde sinecure.
Vondel woonde in deze tijd op het Singel, niet ver van de Torensluis. Zijn zoon Joost overleed in 1660 op 47-jarige leeftijd op de heenreis naar Indië, voor Kaap de Goede Hoop. In deze zelfde tijd voltooide Vondel meerdere van zijn grote werken, mogelijk ook om zijn verdriet te verdringen.
In 1668 ging hij met pensioen, inmiddels 80 jaar oud. Hij behield zijn jaarsalaris.

Laatste levensjaren
Vondel werd op zijn oude dag verzorgd door zijn nicht Agnes Block en zijn dochter Anna, die in 1675 echter overleed. Gedurende de laatste dagen van Vondels leven woonden zijn enige overgebleven kleinzoon en diens vrouw bij hem in. Vondel overleed uiteindelijk op 91-jarige leeftijd, wat in die tijd uitzonderlijk oud was. Hij had toen al zijn kinderen en kleinkinderen overleefd, op één kleinzoon na. Als zijn laatste werk dichtte hij spottend zijn grafschrift:
Hier leit Vondel zonder rouw,
Hy is gestorven van de kouw
Vondel werd begraven in de Nieuwe Kerk. Ter gelegenheid van zijn begrafenis werd een speciale munt geslagen met de tekst: 's Lands oudste en grootste poëet.

Dirck Rembrantsz van Nierop
(Nieuwe Niedorp, 1610 – aldaar, 4 november 1682) was een zeventiende-eeuwse Nederlandse cartograaf, wiskundige, landmeter, astronoom, astroloog, almanakberekenaar, onderwijzer en vermaner van de Waterlandse doopsgezinden.

Van Nierop heeft ruim dertig wetenschappelijke publicaties op zijn naam staan, zoals Nieuw Dubbelt Nierper Graed-boeck dat tot 1715 meer dan tien maal werd herdrukt. De Nieropper almanakken verschenen jaarlijks van 1655 tot 1683. Bovendien bewerkte hij het journaal van Abel Tasman en het journaal van de overwintering van Willem Barentsz op Nova Zembla. Tevens heeft hij ontwerpen van zonnewijzers op zijn naam staan. Ook was hij als adviseur op het gebied van navigatiemiddelen en zeekaarten actief voor de VOC. Als onderwijzer van stuurlui en schippers was hij de leraar van onder anderen:

  • Pieter Rembrantsz van Nierop, schrijver van tal van boeken zoals almanakken
  • Jan Albertsz van Dam, leraar van Tsaar Peter de Grote
  • Symon van de Moolen, eerste zon-eclipsvoorspeller in Nederland
  • Pieter Maasz Smit, eerste Nederlander, die een boek schreef, hoe een globe moest worden gemaakt en leraar was van Gerard Valck

Nierop schreef en werkte mee aan diverse almanakken. Samen met Gillis Joosten Saeghman maakte hij de Zaagmans almanak, de Kleyne Zaagmans almanach na de nieuwe en oude stijl en Zaagmans Comptoir almanach. Bij dezelfde uitgever J. Stichter in Amsterdam verscheen ook de naar hem genoemde Nieropper almanak. Bij de uitgevers Hendrick Doncker en Theunis Jacobsz. Lootsman verschenen de Almanach nieuwen-stijl over acht jaren, de Almanach tien jaren en de Almanach twaalf jaren
Van Nierop onderhield vriendschappelijke en zakelijke relaties met onder andere Christiaan Huygens, Nicolaas Witsen, Frans van Schooten G. van Goedesbergen en Descartes. De planeetwyser van Dirck Rembrantsz. inspireerde Christiaan Huygens tot zijn 'Tabula Lignea', waarbij de stand der planeten op een houten tafel werd weergegeven. Als cartograaf werkte van Nierop samen met Willem Hesselz de Vlamingh en Pieter Goos. De Europese paskaart, een wassende zeekaart uit het jaar 1658, staat op zijn naam. Als eerbetoon aan Dirck Rembrantsz staat een portret van hem samen met Nicolaas Copernicus, Tycho Brahe en Claudius Ptolemaeus op de kaart "Nieuwe Wereld", van Jacob Harrewyn, Jacobus Robijn en Hendrick Doncker 1688 (Maritiem Museum Rotterdam). Een compliment kreeg Dirck Rembrantsz van Nierop tevens in het blijspel van de schrijver en toneelspeler Willem van der Hoeven. In "de vermomde minnaar" (1714) staat vermeld 'Dat gaat zo zeker als een Nieropper almanak'.

Pieter Teyler van der Hulst
(Haarlem, 25 maart 1702 – aldaar, 8 april 1778) was een vermogend Nederlandse laken- en zijdekoopman, bankier en filantroop.
Pieter Teyler werd in Haarlem geboren als zoon van Isaac Teyler (1669-1750) en Maria van der Hulst. Later kregen ze nog twee dochters, maar Tanneke, in 1703 geboren werd slechts acht jaar oud en Susanne stierf al na negen maanden. Beide ouders waren afkomstig uit zeer welgestelde doopsgezinde families. Teylers stamvader was in de 16e eeuw om religieuze redenen vanuit Schotland naar Haarlem uitgeweken. Na de dood van zijn moeder (1721) voegde hij haar familienaam Van der Hulst toe aan zijn eigen naam. In 1728 trouwde hij met uit Amsterdam afkomstige Helena Wynands Verschaave, de dochter van Jan Wynands Verschaave en Helena Honeré.

Net als zijn vader was Teyler werkzaam in de textielnijverheid en na diens overlijden nam de dan 48-jarige Teyler dan ook de zaak over. Op latere leeftijd richtte hij zich meer op het bankwezen waarmee hij veel geld verdiende. Als vertegenwoordiger van de Verlichting had hij grote belangstelling voor kunst en wetenschap. Hoewel hij munten, prenten, tekeningen, boeken en fossielen verzamelde bemoeide hij zich niet actief met het wetenschappelijke leven in Haarlem. Wel bekommerde hij zich om het lot van de armen en wezen van de stad. Zo zorgde hij ervoor dat een niet meer functionerend hofje weer tot leven kwam.
Teyler werd vooral bekend door zijn legaat van 2 miljoen Nederlandse gulden. In 1756, kort na de dood van zijn echtgenote (hun huwelijk was kinderloos gebleven), stelde hij zijn testament op. Volgens de bepalingen van zijn testament moest het legaat aangewend worden voor de bevordering van kunsten en wetenschappen en het bouwen van een hofje voor ouderen. Er waren ook legaten voor individuen en de Haarlemse Doopsgezinde Gemeente. Aan Pieter Teyler dankt Haarlem de Teylers Stichting, het Teylers Museum en het Teylers Hofje. Teyler ligt begraven in de Grote of Sint-Bavokerk.

 

Eduard Douwes Dekker
(Amsterdam, 2 maart 1820 – Ingelheim am Rhein, 19 februari 1887) was een Nederlandse schrijver die ook bekend is geworden onder het pseudoniem Multatuli.
Eduard Douwes Dekker werkte als ambtenaar in Nederlands-Indië (het tegenwoordige Indonesië), waar, toen hij er op negentienjarige leeftijd aankwam, naar eigen zeggen zijn 'ziel ontwaakte', maar waar hij ook de vele wantoestanden zag onder verantwoordelijkheid van het Nederlandse koloniale bewind. Zijn bekendste werk is de kaderroman Max Havelaar, waarin hij - op basis van zijn eigen ervaringen - de behandeling van de plaatselijke bevolking door Nederlandse en Nederlands-Indische bestuurders aan de kaak stelde. In dit boek koos Dekker het pseudoniem Multatuli, Latijn voor 'ik heb veel (leed) gedragen' (=multa tuli).

Jeugd en leertijd

Eduard Douwes Dekker werd geboren in de Korsjespoortsteeg in Amsterdam uit een doopsgezinde familie. Zijn vader, Engel Douwes Dekker, was een scheepskapitein afkomstig uit de Zaanstreek. Engels ouders waren Pieter Douwesz en Engeltje Dekker. Engel Douwes gebruikte hun beider achternamen. De officiële achternaam zou echter Dekker zijn geweest; op de trouwakte van Eduard Douwes Dekker en Maria Hamminck Schepel (1875) wordt de achternaam van de bruidegom vermeld als "Dekker, zich noemende en schrijvende Douwes Dekker".Eduards moeder Sietske Eeltjes Klein (soms ook "Klijn") was huisvrouw, afkomstig van Ameland. In het gezin zouden vijf kinderen geboren worden: Catharina (1809-1849), Pieter Engel (1812-1861), Jan (1816-1864), Eduard (1820-1887) en Willem (1823-1840). Eduard was een intelligent kind. Hij bezocht de Latijnse school aan het Singel, een voorloper van het huidige Barlaeus Gymnasium. Al vroeg stelde hij kritische vragen over het geloof en schreef hij gedichten. Na twee of drie jaar verliet hij de Latijnse school zonder diploma, en in 1838 reisde Eduard aan boord van het schip waar zijn vader het gezag over voerde naar Nederlands-Indië, waar ze in 1839 aankwamen in de hoofdplaats Batavia. Aldaar trad Eduard Douwes Dekker in dienst van het Nederlands Bestuur als commies van de Algemene Rekenkamer. In de daaropvolgende jaren maakte hij gestaag promotie als bestuursambtenaar, al beviel het financiële werk hem maar matig. Batavia, waar hij de eerste anderhalf jaar - los van het Nederlandse, kleinburgerlijke milieu - een vrolijk en afwisselend leven leidde, begon hem steeds meer tegen te staan. Omdat hij bovendien (speel)schulden had gemaakt, solliciteerde hij bij de gouverneur-generaal naar een post in een buitengewest.

Bestuursambtenaar In Nederlands-Indië
Zo werd Douwes Dekker in 1842 op 12 oktober benoemd tot controleur van het roerige district Natal aan de westkust van Sumatra. Onder Dekkers controleurschap bleek hier echter een kastekort, waarover hij een ernstige berisping kreeg van de gouverneur van Sumatra's Westkust, generaal Michiels.Het leverde hem het etiket "eerloos" op, waardoor Douwes Dekker zich bijzonder gegriefd voelde. Toen hij wegens het tekort te Natal door Michiels tijdelijk was geschorst, en naar eigen zeggen zelfs honger leed, schreef hij, om zich te revancheren, het toneelstuk De eerloze, later uitgegeven als De bruid daarboven. Tooneelspel in vijf bedrijven.
Overigens is het de vraag of Dekker voor het kastekort te Natal wel geheel verantwoordelijk was; door zijn bemoeienis met plaatselijke conflicten had hij nauwelijks tijd om zich met de financiën bezig te houden. Het tekort dateerde al van voor Dekkers komst, en was volgens de Max Havelaar, waarin deze episode uitgebreid beschreven wordt, ontstaan doordat gelden voor troepenzendingen naar het binnenland niet waren geadministreerd. Maar Dekker had zijn hoofd duidelijk niet bij de administratie en was bovendien erg koppig, om niet te zeggen in zijn wiek geschoten, als hij aangesproken werd op fouten. Gewestelijk secretaris van de Ven, die het bestuur overnam van de geschorste Douwes Dekker, schreef aan de gouverneur dat deze achter was met alle stukken, fouten maakte, voorschriften veronachtzaamde, en niet op klachten reageerde.
Tot de ergernis van zijn collega's droeg bij dat Dekker, naast zijn onnauwkeurigheden en zijn verontschuldiging dat hij voor de administratie 'minder geschiktheid bezat', zich ook niet hield aan de ongeschreven regels van de plaatselijke ambtenarij. Deze hielden onder meer in dat de koeliebonnen voor zout- en geldtransporten maar voor vier gulden werden geadministreerd, de dragers deden het echter nooit voor minder dan acht. Gewoonte was om een paar dragers meer op de lijst te zetten dan er waren geweest. Maar in dit soort zaken bleef Dekker principieel tegen 'knoeierijen', en administreerde hij koppig acht gulden per drager.
Door zijn administratieve achterstanden én het tekort werd zijn schorsing in Natal nu definitief; de geharde generaal Michiels, die de vele opstanden op West-Sumatra met succes had neergeslagen, werd later per door de Algemene Rekenkamer te Batavia in het ongelijk gesteld. Maar Dekker was als jong bestuursambtenaar de strijd met hem aangegaan, en moest daarom onherroepelijk het veld ruimen. Nadat hij het tekort uit eigen middelen had aangevuld, werd hij op wachtgeld gezet en naar Java overgeplaatst. Het zou echter nog lang niet het laatste conflict zijn in Dekkers ambtelijke carrière, en nadien in zijn schrijverschap.

Huwelijk, carrière en verloftijd
Terug op Java trouwde Dekker in 1846 met Tine van Wijnbergen (eigenlijk Everdina Huberta baronesse van Wijnbergen). Uit dit huwelijk zouden twee kinderen geboren worden: zoon Edu in 1854 en dochter Nonni in 1857. Met zijn zoon Edu bleef de verhouding zijn leven lang moeilijk. Dat hij naast zijn vrouw ook andere vrouwen meer dan aardig vond, was voor Tine een zware beproeving, vooral na hun terugkeer naar Nederland en het begin van zijn literaire carrière.
Na functies in 's lands dienst te Karawang en Purworejo, waar hij in ondergeschikte posities werkte, werd Dekker in 1848 benoemd tot secretaris van de residentie Manado op het eiland Celebes, waarmee hij volledig herstel van zijn ambtelijke carrière genoot. Zijn sterke rechtvaardigheidsgevoel voor de inlandse bevolking vond hier waardering bij resident Scherius, die bij zijn vertrek in 1851 Dekker als zijn opvolger aanbeval. Het gouvernement ging hier niet op in; Dekker maakte opnieuw privéschulden en tijdens zijn latere verlof in Nederland bleek bovendien dat hij ook hier een bestuurlijk kastekort achterliet, waarvan de precieze oorzaken niet zijn opgehelderd. Uit zijn tijd in Menado is verder een toespraak van Dekker tot de inlandse hoofden overgeleverd, die sterke gelijkenis vertoont met de beroemde toespraak uit Lebak, die de schrijver Douwes Dekker later zou verwerken in zijn Max Havelaar.
Eind 1851 beklom Dekker een nieuwe sport op de bestuurlijke ladder door zijn plaatsing te Ambon als assistent-resident, maar om gezondheidsredenen werd hem reeds na enkele maanden een langdurig verlof naar Nederland toegestaan, waar hij van 1852 tot mei 1855 verbleef. Hij maakte er vele plannen onder andere voor boekuitgaven, maar verwezenlijkte er weinig. Wel maakte hij bovenop zijn verlofgeld tal van schulden, naar het schijnt in de ijdele veronderstelling, dat hem geld zou toevloeien via de familie van zijn vrouw. Ondanks zijn later succes als schrijver, werd Dekker vrijwel zijn hele leven door schuldeisers achtervolgd. Daarbovenop kwamen nog Dekkers herhaalde pogingen om in het casino aan de roulettetafel een grote slag te maken. Dat liep telkens weer op een mislukking uit. Multatuli's boek Millioenen-studiën doet daar een verslag van.

Na aankomst te Batavia eind 1855 werd Eduard Douwes Dekker benoemd tot assistent-resident van Lebak op Java, waar hij in januari 1856 zijn intrek nam in de hoofdplaats Rangkasbitung. Dekker was slecht bij kas - onder andere door zijn vrijgevigheid - maar zijn toekomst zag er gunstig uit: hij had een goede staat van dienst en zou waarschijnlijk wel tot resident bevorderd worden, met het bijbehorende salaris. Het liep echter anders. In Lebak werd hij geconfronteerd met ernstig machtsmisbruik door de plaatselijke Indische hoofden; bovendien meende hij uit tal van aanwijzingen op te kunnen maken dat zijn voorganger Carolus (in het boek Slotering genoemd) door de regent was vergiftigd, naar hij vermoedde wegens diens pogingen om wantoestanden op het spoor te komen. Op 29 maart 1856 verzocht hij om eervol ontslag, nadat zijn aanklacht tegen Karta Nata Negara, de regent van het district Lebak, die zijn bevolking meedogenloos uitzoog, door het Nederlands-Indische bestuur was afgewezen.
Dekker kon of wilde niet langer in dienst blijven van een ambtelijke top die de andere kant op keek als van de plaatselijke bevolking bijvoorbeeld buffels werden geroofd ten behoeve van de regenten, of wanneer herendiensten werden gevraagd, waardoor de akkers niet konden worden bewerkt, met als gevolg dikwijls hongersnood. Toen ook gouverneur-generaal Duymaer van Twist hem niet wilde ontvangen om zijn klachten aan te horen, was voor Dekker de maat vol. Tevergeefs trachtte hij op Java emplooi te vinden, onder meer op de plantage van zijn broer Jan; het jaar daarop keerde hij definitief terug naar Europa. Aldaar zwierf hij als ambteloos burger enkele jaren alleen door onder andere Nederland, België, Duitsland en Frankrijk. In 1859 keerden ook Tine en de kinderen naar Europa terug, waardoor Dekkers financiële positie steeds moeilijker werd.

Ontstaan en publicatie van de Max Havelaar

Nog in 1859 schreef Douwes Dekker, berooid in Brussel, Max Havelaar, of De koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij. In de Max Havelaar maakte Douwes Dekker de koloniale misstanden in Nederlands-Indië, die hij van zeer nabij had aanschouwd en waartegen hij tevergeefs had geageerd, op beeldende wijze openbaar: zo staan er meeslepende vertellingen ("Saïdja en Adinda") in over de uitwerkingen van het gezagsmisbruik op de bevolking. In de figuur van koffiemakelaar Batavus Droogstoppel verschijnt een onsterfelijke karikatuur van de Hollands-calvinistische ondernemer ten tonele, die met zijn welbegrepen en godsvruchtig eigenbelang, half-naïef en half doortrapt, het systeem van onderdrukking in stand houdt, terwijl hij er een verwrongen voorstelling op nahoudt van wat er aan de andere kant van de wereld gebeurt. Het boek bevat verder, naast interessante tafelgesprekken (waarin Douwes Dekkers periode op Sumatra wordt beschreven), letterlijke weergaven van ambtelijke stukken die Douwes Dekker verstuurde en ontving als assistent-resident van Lebak, waardoor voor de lezer de waarheid onder oppervlakte steeds duidelijker wordt.
Dekker schreef het boek tussen 16 september en 13 oktober 1859 in klad, en werkte daarna nog drie weken aan een netversie, tot zijn ogen ontstoken raakten.[5] Hij liet het handschrift inbinden, en stuurde het boek naar zijn broer Jan, bij wie op dat moment ook Tine met de kinderen logeerde. Jan op zijn beurt stuurde het boek aan mr. W.J.C. van Hasselt, vrijmetselaar, voorzitter van de loge "Concordia Vincit Animos", waar ook Multatuli sinds 1854 als lid was geaccepteerd. Van Hasselt stuurde het handschrift ongelezen door aan een andere broeder in de vrijmetselarij: zijn goede vriend en collega, advocaat en letterkundige Jacob van Lennep. Het was toen inmiddels eind november 1859.

Reacties op het boek
De reacties in Nederland op het boek varieerden van geschokte afwijzing tot hartstochtelijke bewondering, al werd ook gepoogd de schrijver verdacht te maken en het boek te negeren. Tevergeefs: Max Havelaar werd in heel Europa verkocht en bewonderd. Tot verdriet van Dekker werd het echter vooral geprezen om zijn literaire kwaliteiten, en minder om de zaak-Lebak en het lot van de inlanders, waar het de schrijver vooral om te doen was geweest. Daarnaast had hij ermee gestreefd naar eerherstel door de Nederlandse regering en een leidinggevende functie in Nederlands-Indië, teneinde aldaar de nodige veranderingen te bewerkstelligen; verwachtingen waarin hij in de daaropvolgende jaren zwaar werd teleurgesteld.

Schrijverschap en laatste jaren

Hierna besloot Dekker zich voortaan als Multatuli te wijden aan het schrijverschap. In 1866 emigreerde hij - gegriefd en teleurgesteld in zijn hooggespannen verwachtingen - naar Duitsland, waar hij de rest van zijn leven zou blijven wonen.
Directe aanleiding tot zijn emigratie was een conflict in een theater op 1 december 1865: Dekker stoorde zich aan het onbeleefde gedrag van een paar toeschouwers, die zich vrolijk maakten over het uiterlijk van mevrouw Sauvlet, de sopraan op het toneel. Hij riep de heren achter hem tot de orde en deelde daarbij een paar rake klappen uit. Deze heren deden enkele dagen later, op 5 december, aangifte bij de politie van mishandeling. Bijgevolg ontving Dekker op 8 januari een dagvaarding om op de 18e van die maand op de arrondissementsrechtbank te verschijnen. De reis naar Duitsland was al in de planning, maar werd nog uitgesteld. Een rechtszitting met Multatuli, dat trok veel belangstelling. Toen hij ter zitting verscheen, stipt op het aangegeven tijdstip, moest hij evenwel wachten tot de zaak vóór hem was afgedaan. Daar had Dekker geen zin in, dus hij verliet de rechtbank, en de zaak werd bij verstek behandeld. Het vonnis - "een gevangenisstraf van 15 dagen, in eenzame opsluiting te ondergaan, en tot betaling van twee geldboetes van acht guldens elk..." - vernam Dekker pas veel later in Duitsland. Hij was nu wel gedwongen om daar te blijven, want hij kon niet terug. Deze ballingschap zou ruim twee jaar duren: tot 3 maart 1868, toen de straf en het vonnis hem kwijtgescholden werden na onderhandelingen met de conservatieve regering van dat moment.
Dekker was inmiddels een veelgelezen schrijver wiens stilistische kwaliteiten alom erkend werden, onder andere door zijn Minnebrieven en zijn diverse bundels Ideën (waar zijn onvoltooide jeugd- en ideeënroman Woutertje Pieterse en Vorstenschool deel van uitmaken).
Toch bleef hij wegens zijn compromisloze houding bij zijn tijdgenoten omstreden en kampte hij voortdurend met geldgebrek. Wat daarbij ook niet hielp was zijn gokverslaving, en de vele pogingen aan de speeltafel de bank te laten springen. In 1874 overleed in het verre Italië zijn vrouw Tine, van wie hij al langere tijd gescheiden leefde.

Op 1 april 1875 hertrouwde hij in Rotterdam met Maria Hamminck Schepel (ook wel bekend als Mimi). Een beetje ook als knieval voor de heersende moraal van die dagen. Er waren vergevorderde plannen voor een eerste opvoering van zijn toneelstuk Vorstenschool, Dekker was ook betrokken als regisseur/auteur bij de repetities. Ongetrouwd samenwonen werd bepaald niet geaccepteerd. In Duitsland ging het stel door voor "gehuwd". Daar kon het paar dus niet naar het stadhuis. Zo werd het toch iets gemakkelijker om samen de eerste voorstellingen bij te wonen.
In 1887 overleed Dekker op bijna 67-jarige leeftijd tijdens een astma-aanval in zijn huis te Ingelheim am Rhein.
Na Multatuli's dood ontfermde zijn weduwe zich - min of meer door geldnood gedwongen - over zijn omvangrijke nalatenschap aan brieven, waaruit zij in tien boekdelen veel publiceerde. Ze heeft evenwel ook veel weggelaten en voor altijd vernietigd.

Crematie
Vier dagen later werd Multatuli als eerste Nederlander gecremeerd, in het crematorium te Gotha. De urn met de as stond tot 1930 bij Hamminck Schepel, en kwam na haar overlijden in het Multatuli Museum (dat toen nog onderdeel was van de Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam). Op 6 maart 1948 werden de urnen met de as van Multatuli en van zijn weduwe in een monument voor Multatuli op de begraafplaats Westerveld te Driehuis geplaatst. Het monument was een initiatief van de Vereniging voor Facultatieve Lijkverbranding. De originele urn maakt deel uit van de permanente tentoonstelling op het Multatuli Museum.

Johan Huizinga
(Groningen, 7 december 1872 – De Steeg, 1 februari 1945) was een Nederlands historicus. Hij is de grondlegger van de Nederlandstalige cultuurgeschiedenis en mentaliteitsgeschiedenis. Verder was hij cultuurfilosoof en antropoloog. Zijn belangrijkste werken zijn Herfsttij der Middeleeuwen (1919), Erasmus (1924), In de schaduwen van morgen (1935) en Homo ludens (1938). Uit zijn werk blijkt zijn voorliefde voor sprookjes en zijn bewondering voor de middeleeuwse ridderlijke ethiek. Hij was de vader van de schrijver Leonhard Huizinga.

Levensloop
Huizinga werd geboren in de stad Groningen waar zijn vader Dirk Huizinga hoogleraar fysiologie was. Zijn moeder Jacoba Tonkens stierf toen Johan twee jaar was. In Groningen genoot hij zijn middelbare scholing aan het stedelijk gymnasium. Huizinga kwam uit een doopsgezind predikantengeslacht, oorspronkelijk bewoners van een landhoeve, op de plaats van een voormalig steenhuis: de heerd Melkema te Huizinge (Gr).
De grootvader van Huizinga, ds. Jakob Huizinga was een modernistisch, maar toch vroom theoloog en predikant. De vader van Huizinga studeerde aanvankelijk ook af als theoloog, maar viel van zijn geloof af. Huizinga zelf trad op 15 maart 1891 toe tot de Doopsgezinde Gemeente te Groningen en liet zich dopen, gemotiveerd door zijn zelfgeschreven belijdenis - een praktijk die gebruikelijk was geworden onder de doopsgezinden in Nederland.[1] Hij zou zijn hele leven, ook later in Leiden, ingeschreven blijven staan als lid van de plaatselijke Doopsgezinde Gemeente, hoewel hij geen kerkganger bleef.
In 1891 schreef hij zich ook in aan de Groninger universiteit, waar hij vier jaar studeerde. Hij legde zich toe op de vergelijkende taalkunde en werd een Sanskrietkenner. Na afloop van zijn studie startte Huizinga in Leipzig zijn promotieonderzoek. Het concept van het proefschrift, 'Inleiding en Opzet voor Studie over Licht en Geluid' keurde zijn Groningse promotor, Barend Sijmons, af. De inhoud was naar zijn oordeel taalwetenschappelijk niet relevant en hooguit interessant voor een psycholoog. Het was een echec, vond Huizinga, en hij zette zich prompt onder leiding van de Groningse classicus Jacob Speyer aan een nieuwe dissertatie, die hij in 1897 afrondde. Zijn proefschrift betreft de rol van de vidusaka, een soort nar, in het oud-Indische toneel. Materiaal uit zijn taalkundige concept-dissertatie uit 1896 legde Huizinga tweemaal in artikelvorm voor aan de redactie van het prestigieuze tijdschrift Indogermanische Forschungen. Beide stukken werden afgewezen.
In de jaren daarna was hij leraar geschiedenis in verschillende Nederlandse plaatsen, om in 1905 terug te keren naar zijn geboortestad, waar hij zich aan de universiteit verbond. In 1915 aanvaardde Huizinga de benoeming tot hoogleraar algemene geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Leiden. Izaak Gosses volgde hem toen als hoogleraar in Groningen op.
Op het slot Toorenvliedt in Middelburg zou Huizinga het boek schrijven waar hij wereldfaam mee verwierf, Herfsttij der Middeleeuwen. In 1920 ontving hij hiervoor de D.A. Thiemeprijs en in 1924 verscheen het in het Duits en het Engels. Hiermee brak hij internationaal door. Op verzoek van een Amerikaanse uitgever schreef Huizinga een boek over Erasmus. Hij was niet geheel gelukkig met het resultaat van zijn relatief beknopte studie. Toch vergrootte die aanzienlijk de belangstelling voor Erasmus.
In 1933 stelde Huizinga een daad tegen het nationaalsocialisme. Bij een internationale conferentie aan de universiteit van Leiden verzocht hij de Duitser Johann von Leers de conferentie te verlaten, nadat Huizinga kennis nam van diens antisemitische geschriften. Hierop vertrok de Duitse delegatie.
Huizinga was lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en bekleedde het voorzitterschap van de afdeling Letterkunde van 1929 tot 1942. Na een korte ziekte overleed hij begin 1945 op 72-jarige leeftijd. Hij ligt begraven in Oegstgeest, bij het Groene Kerkje. De persoonlijke en wetenschappelijke nalatenschap van Huizinga is ondergebracht in de Universiteitsbibliotheek Leiden.
Vernoemingen
Huizinga gaf zijn naam aan het Huizinga Instituut voor cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. De prestigieuze lezingen-cyclus van de Universiteit Leiden kreeg naar hem de naam 'Huizingalezing'. De Universiteit Leiden vernoemde een gebouw naar hem, het Johan-Huizingagebouw, waarin -toepasselijk- de opleidingen geschiedenis, kunstgeschiedenis en klassieke talen gehuisvest zijn.
Werk
Literaire traditie
De stylistiche eenheid Huizinga's werk is er vanaf het allereerste ontwerp van proefschrift tot in zijn latere werken. Huizinga schrijft vanuit de literaire traditie en was schatplichtig aan de Tachtigers door het vele gebruik van adjectieven, die hij vaak ter precisering verbond zoals sceptisch-koel en cynisch-wreed. Hij contrasteerde om te dramatiseren, om het eigene te verhelderen. Hoe hoger de hartstocht, hoe strakker de vormen vat Willem Otterspeer samen.
Zintuigen en hartstocht
Huizinga wendde al de zintuigen aan in zijn werk. Wat hij beschreef, wilde hij kleur, geur en geluid geven, ook eeuwen en tijdperken. De kleur van de late Middeleeuwen was somberder dan die van de 12e eeuw, die van de Renaissance purper en goud. De 16e eeuw had nu eens de klank van een trompet, dan van violen, de 17e eeuw van een orgel en de 18de van violen en fluiten.
Plastisch woordgebruik was hem niet vreemd. Otterspeer omschrijft Huizinga's hartstocht als een historisch zintuig. Huizinga achtte die hartstocht wezenlijk voor historische voorstellingen, anders is de geschiedenis onleesbaar en onmogelijk. De werkelijkheid vol drama dient in de historie zijn neerslag te vinden. Getuige de openingszin uit de "Herfsttij der Middeleeuwen": "Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel scherper uiterlijke vormen dan nu. Tussen leed en vreugde, tussen rampen en geluk scheen de afstand groter dan voor ons; al wat men beleefde had nog die graad van onmiddellijkheid en absoluutheid, die de vreugde en het leed nu nog hebben in de kindergeest. Elke gebeurtenis, elke daad was omringd met nadrukkelijke en uitdrukkelijke vormen, was getild op de verhevenheid van een strakke, vaste levensstijl. De grote dingen: de geboorte, het huwelijk, het sterven stonden door het sacrament in de glans van het goddelijk mysterie. Maar ook de geringer gevallen: een reis, een arbeid, een bezoek, waren begeleid door duizend zegens, ceremonies, spreuken, omgangsvormen."
Herfsttij der Middeleeuwen (1919)
Aanvankelijk was het de bedoeling om een studie te schrijven over de schilder Jan van Eyck. Het werk groeide uit tot een diepborende visie op de late Middeleeuwen. De ondertitel ervan luidt: Studie over de levens- en gedachtevormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden. De slotzin van het eerste hoofdstuk geeft markant het levensgevoel van de late Middeleeuwen weer:
Het is een boze wereld. Het vuur van haat en geweld brandt hoog, het onrecht is machtig, de duivel dekt met zijn zwarte vlerken een duistere aarde. En spoedig wacht de mensheid het eind van alle dingen. Maar de mensheid bekeert zich niet; de Kerk strijdt, predikers en dichters klagen en vermanen vergeefs." (11de editie, 1969, Haarlem, blz. 24.)
De late Middeleeuwen vormden geen periode van verval of de voorbode van de Renaissance, maar bezaten een eigen toon en kleur. Huizinga's werk werd klassieke literatuur door zijn stijl, verbeeldingskracht en pregnante visie. Het inspireerde vele studies. De kritiek erop verminderde het belang van het werk niet.
In de schaduwen van morgen (1935)
In In de schaduwen van morgen uit 1935 werkt Huizinga een voordracht uit die hij op 8 maart 1935 in Brussel hield. Het boek kreeg verschillende herdrukken en wordt tot op vandaag geciteerd en gelezen. Het boek analyseert de culturele en maatschappelijke situatie van de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. Vooral de openingszin is in die context bekend:
Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen, als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij, waaruit deze arme Europese mensheid achterbleef in verstomping en verdwazing, de motoren nog draaiende en de vlaggen nog wapperende, maar de geest geweken.
Verder kijkt Huizinga vooruit en kondigt hij de mode van het existentialisme aan.
Het komende geleerde modewoord voor beschaafde kringen zal ongetwijfeld "existentieel" zijn. Ik zie het overal reeds opschieten. Het zal spoedig bij het groote publiek belanden. Wanneer men, om zijn lezer te overtuigen, dat men de dingen beter snapt dan zijn buurman, lang genoeg "dynamisch" heeft gezegd, zal het "existentieel" zijn. Het woord zal dienen om den geest te plechtiger te verzaken, een belijdenis van maling aan al wat weten en waarheid is.
Homo ludens (1938)
Als men een werk van deze diepgang moet karakteriseren in enkele woorden dan klinkt de synthese zo: "Het spel is een ernstige zaak". De ernst van het spel verwoordt hij met zijn anti-materialistische en anti-fysicalistische zienswijze op de volgende wijze:
Men kan bijna al het abstracte loochenen: recht, schoonheid, waarheid, goedheid, geest, God. Men kan den ernst loochenen. Het spel niet. Maar met het spel erkent men, of men wil of niet, den geest. Want het spel is, wat ook zijn wezen zij, niet stof. Het doorbreekt, reeds in de dierenwereld, de grenzen van het physisch bestaande. Het is ten opzichte van een gedetermineerd gedachte wereld van louter krachtwerkingen in den volsten zin des woords een superabundans, een overtolligheid. Eerst door het instroomen van den geest, die de volstrekte gedetermineerdheid opheft, wordt de aanwezigheid van het spel mogelijk, denkbaar, begrijpelijk. Het bestaan van het spel bevestigt voortdurend, en in den hoogsten zin, het supralogisch karakter van onze situatie in den kosmos. De dieren kunnen spelen, dus zij zijn reeds meer dan mechanismen. Wij spelen, en weten, dat wij spelen, dus wij zijn meer dan enkel redelijke wezens, want het spel is onredelijk.
In Homo ludens beschrijft Huizinga een onbeschaafd en verwerpelijk puerilisme als tegenstelling van de (door hem geïdealiseerde) spel-ernst van politiek en cultuur.

Cornelis Lely
(Amsterdam, 23 september 1854 – Den Haag, 22 januari 1929) was een Nederlandse ingenieur, waterbouwkundige, minister, gouverneur en politicus. Lely ontwierp in 1891 een plan voor de afsluiting van de Zuiderzee, waarop deze in 1932 door de Afsluitdijk definitief werd afgesloten en het IJsselmeer ontstond.

Levensloop
Lely werd in 1854 geboren als zevende zoon van Jan Lely en Adriana van Houten. Hij werd geboren aan de Leidsegracht in Amsterdam en bracht hier ook een groot deel van zijn jeugd door. Hij kwam uit een vrijzinnig protestants, doopsgezind gezin. In 1875 behaalde hij het diploma van civiel ingenieur aan de TH te Delft. Hij trad in dienst van het ministerie van Waterstaat, waar hij Tak van Poortvliet bijstond bij de opstelling van diens Kanalenwet. In september 1886 werd hij toegevoegd aan de Zuiderzeevereniging, een vereniging die zich de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee ten doel stelde. In 1891 voltooide hij zijn plan, dat hij vele jaren later, na de watersnood van 1916 als minister bij wet tot uitvoering deed brengen. Daarnaast werd op zijn initiatief de Bergsche Maas gegraven, en bevorderde hij de spoorwegen.

Ministerschap
Op 36-jarige leeftijd werd hij benoemd tot minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid in het Kabinet-Van Tienhoven (1891-1894). Lely was minister van Waterstaat in nog twee kabinetten: het Kabinet-Pierson (1897-1901) en het Kabinet-Cort van der Linden (1913-1918). In 1913 werd de inpoldering van de Zuiderzee door zijn toedoen opgenomen in het regeringsprogramma. De Zuiderzeewerken zijn grotendeels uitgevoerd naar zijn plan. Hij woonde in die tijd op Alexanderstraat 13 in Den Haag.
Daartussen was hij van 1902 tot 1905 gouverneur van Suriname. In 1898 loodste hij de wet voor de Noordoosterlocaalspoorweg-Maatschappij door het parlement, en tijdens zijn gouverneurschap in Suriname bevorderde hij het aanvankelijk particuliere plan voor de aanleg van de Lawaspoorweg. Lely bekleedde ook andere openbare functies. Naast zijn ministerschappen was hij lid van de Tweede Kamer (tussen 1894 en 1922), lid van de Eerste Kamer (1910-1913), lid van Provinciale Staten van Zuid-Holland (1909-1910) en lid van de gemeenteraad en wethouder van 's-Gravenhage (1908-1913).

Van Zuiderzee naar IJsselmeer
Hoewel er al honderden jaren voor Lely gesproken werd over de inpoldering van de Zuiderzee, was Cornelis Lely de eerste die een technisch uitvoerbaar plan presenteerde, dat antwoord gaf op problemen zoals de afwatering van de IJssel. De drooglegging van de Zuiderzee is lang gezien als een wild avontuur, en ook nadat Lely zijn plan presenteerde is er lang gediscussieerd over de voor- en nadelen, zoals de economische gevolgen voor vissersdorpen, de prijs van het project en de risico's.
Lely is in staat geweest zijn plan te verwezenlijken doordat hij behalve ingenieur ook een capabel politicus was. Zelfs toen hij in 1913 de drooglegging in het regeringsprogramma kreeg was er nog grote maatschappelijke weerstand. Twee dingen hebben Lely geholpen: De Eerste Wereldoorlog veroorzaakte voedselschaarste, waardoor de extra landbouwgronden die de Zuiderzeewerken op zouden leveren van groot belang werden. De belangrijkste omslag kwam met de watersnood van 1916. De gevolgen van deze watersnood deden de publieke opinie pas beseffen hoe naïef het is om de gevaren van die zee te negeren. Twee jaar later, in 1918, loodste Lely de Zuiderzeewet door het parlement.
De visie van Lely was verkorting van de kustlijn. De verdediging tegen de zee is zo sterk als de zwakste schakel, zo redeneerde Lely, en met de vele honderden kilometers kustlijn aan de Zuiderzee is het erg moeilijk om een effectieve waterkering te onderhouden. De Afsluitdijk heeft dit allemaal vervangen door een enkele dam. De visie van Lely is later in de 20e eeuw nogmaals toegepast in de Deltawerken, waarbij de kustlijn van Zeeland een groot stuk verkort is.

Erkenningen
Zijn wetenschappelijke verdiensten werden erkend door zijn benoeming in 1895 tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, afd. Natuurkunde, en in 1905, door het eredoctoraat van de Technische Hogeschool te Delft.

Overlijden
Lely overleed op 74-jarige leeftijd in 1929. Hij heeft de eerste drooglegging (Wieringermeer) en de sluiting van de Afsluitdijk niet meegemaakt.

Tonco Modderman, heer van Oosterbroek
(Groningen, 11 januari 1745 - aldaar, 23 april 1802) was advocaat, dichter, politicus, ondernemer en verondersteld medewerker aan de Groninger Raarekiek.
Tonco Modderman, zoon van Jan Tonckes Modderman en Ettjen Dirks Modderman, trouwde op 6 juni 1776 te Groningen met de uit Breda afkomstige weduwe Antonia Forsten. Uit het huwelijk tussen Tonco en Antonia Forsten werden elf kinderen geboren, waarvan er drie jong overleden. Hij kan worden beschouwd als de stamvader van de Groningse familie van juristen Modderman. Zo was hij vader van het Tweede Kamerlid Hendrik Jacob Herman Modderman en van het buitengewoon Tweede Kamerlid Antonius Modderman en grootvader van minister en minister van Staat Anthony Ewoud Jan Modderman en van burgemeester van Groningen Sebastiaan Matheüs Sigismund Modderman. Tonco Modderman overleed door een ongeval: hij had bij kaarslicht liggen lezen in bed, waardoor brand uitbrak.

Loopbaan
Modderman studeerde in het buitenland alvorens zich op 1 mei 1773 in te schrijven aan de Universiteit van Groningen. Hij promoveerde aldaar op 5 maart 1773 in de rechten. Vanaf mei 1773 was hij werkzaam als advocaat te Groningen. Modderman was ook actief in de politiek, zo was hij schepen van de stad Groningen, lid van de Staten-Generaal voor de provincie Groningen (van 25 februari 1795 - maart 1796), lid van het Comité tot de algemene zaken van het bondgenootschap te lande voor Groningen (van 20 maart 1795 - 16 februari 1798) en lid Eerste Nationale Vergadering voor het district Meppel (van 29 april 1796 tot 10 november 1796).
Tonco Modderman was met zijn broer Jan en zijn stiefbroer Forsten directeur-eigenaar van een papiermolen ten zuiden van de stad Groningen, daar waar nu het Groningse openluchtzwembad “de Papiermolen” staat. Met zijn broer Jan bezat hij bovendien enige scheepswerven in het westen van de stad Groningen, even buiten de Kranepoort. Samen hadden ze ook een handelsgemeenschap met een Zaanse firma die zich bezighield met walvisvaart, de zogenoemde "Groenlandse visserij".
Modderman werd van verschillende ambten uitgesloten, omdat hij doopsgezind was.

Maatschappelijke betrokkenheid
Tonco Modderman heeft zich, samen met zijn broer Jan, op diverse fronten gemanifesteerd in de stad Groningen. Ze kwamen in actie om de 'smalle gemeenschap' van goedkope turf te voorzien, ze waren beiden lid van de Oeconomische Tak en ook waren ze samen lid van de loge L'Union Provinciale. Daar hebben ze beiden enige tijd de functie van voorzittend meester vervuld. Ook werkten ze samen mee aan de oprichting van het exercitiegenootschap Voor Onze Duurste Panden.

Havezate Oosterbroek
In 1781 kocht Modderman de havezate Oosterbroek bij Eelde van de toenmalige eigenaar Sjuck van Burmania Rengers. Deze laatste had het landgoed op 26 juli 1781 ter veiling aangeboden. De koop per veiling ging echter niet door. Modderman en zijn echtgenote kochten twee dagen later het landgoed voor 30.000 gulden. Daarna lieten zij het landgoed verfraaien door de aanleg van zichtlanen, een sterrenbos, een moestuin en een beukenbos.

Literatuur en poëzie
Hoewel Modderman zijn hele leven werkzaam is geweest in de advocatuur, interesseerde hij zich ook voor de letterkunde. Zo was hij actief als dichter, waarbij hij zijn gedichten niet schreef, maar onthield. Modderman schijnt over een bijzonder goed geheugen te hebben beschikt. Diverse malen heeft uitgever en dichter Hajo Albert Spandaw geprobeerd hem over te halen zijn gedichten uit te geven, maar tijdens Moddermans leven is dat Spandaw niet gelukt. Pas na de dood van Tonco Modderman is het plan van een uitgave uitgewerkt in samenwerking met zoon Antonius. De bundel Nagelaten gedichten zag het licht in 1817 te Groningen.
Tonco Modderman komt ook voor in een pamflet van Betje Wolff, De Menuet en de Domineespruik, onder de schuilnaam Tirsis.

Jan Marius Romein
(Rotterdam, 30 oktober 1893 – Amsterdam, 16 juli 1962) was een Nederlandse historicus. Samen met zijn vrouw Annie Romein-Verschoor heeft hij verschillende publicaties over de Nederlandse geschiedenis doen verschijnen. Hij was ook actief op het terrein van de cultuurgeschiedenis en was redacteur van De Tribune.
Hij is vooral bekend van zijn 'wet van de remmende voorsprong' en door zijn introductie van de Theoretische Geschiedenis in Nederland in 1946.

Levensloop
Romein kwam uit een doopsgezind milieu en liet zich in 1913, op zijn 20e jaar, in de doopsgezinde kerk aan de Laurensstraat in Rotterdam dopen op zijn persoonlijke, op 14 pagina's in een schoolcahier geschreven belijdenis. Vanaf 1914 studeerde hij aanvankelijk theologie aan de Rijksuniversiteit Leiden maar stapte, na geraakt te zijn door het marxisme, in het tweede studiejaar over naar Nederlandse letteren en geschiedenis; later nam het vak Russische letteren ook een belangrijke plaats in. Van zijn hoogleraren was de historicus Johan Huizinga voor hem de meest inspirerende. Mede onder indruk van de Eerste Wereldoorlog en de Russische Revolutie, sloot hij zich aan bij een studentenvereniging voor studie van het socialisme en werkte mee aan het marxistische blad De Tribune. Tijdens zijn studentenjaren leerde hij zijn latere vrouw Annie Verschoor (1895-1978) kennen. Nadat hij cum laude was afgestudeerd traden ze in 1920 in het huwelijk. Ze kregen drie kinderen: twee zonen en een dochter. In 1921 vestigden ze zich in Amsterdam, waar Jan redacteur werd van het dagblad De Tribune van de kort daarvoor opgerichte Communistische Partij Holland (CPH). Een erfenis stelde hem in staat uit de rente een bescheiden maandinkomen te genereren. Door deze zelfstandigheid kon hij kiezen voor een bestaan als freelance historicus, publicist en vertaler. Al in 1916-1918 verscheen van zijn hand een Nederlandse vertaling van Romain Rolland's Jean Christophe (10 delen, met een inleidend essay). Ook vertaalde hij Franz Mehring’s biografie over Karl Marx in het Nederlands (1921).
In 1924 promoveerde hij cum laude aan de Rijksuniversiteit te Leiden op de dissertatie Dostojewskij in de westersche kritiek, een hoofdstuk uit de geschiedenis van den literairen roem. Intussen had hij aan huis het Instituut voor Historische Leergangen opgericht, waar cursisten uit het hele land werden voorbereid op het examen leraar geschiedenis middelbaar onderwijs (MO-akte). Dit werk deed hij samen met collega-historicus Jef Suys en rond 1930 voegde historicus Jacques Presser zich hierbij. In 1927 verliet Romein de communistische partij, maar hij bleef geïnteresseerd in het marxisme en in de politieke ontwikkelingen in de Sovjet-Unie en in Azië. Hij vertaalde en redigeerde de Harmsworth's Universal History of the World in het Nederlands, in samenwerking met andere historici (1929-1932, 8 delen en een registerdeel). Dit werk verscheen onder de titel Nieuwe Geïllustreerde Wereldgeschiedenis en bevatte ook drie nieuwe, door hem zelf geschreven, hoofdstukken: 'De Opstand van de Nederlanden tegen Spanje in de 16e-17e eeuw', 'Van Tsarenrijk tot Sowjet-Unie', en 'Het Ontwaken van Azië'.
In 1939 werd Romein benoemd tot hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Vanwege zijn communistische verleden was hier het nodige getouwtrek in de gemeentelijke politiek aan voorafgegaan. Tijdens de Duitse bezettingsjaren deden Jan Romein en zijn vrouw aan allerlei verzetswerk. Ze waren onder andere betrokken bij de clandestiene pers. Jan Romein was verdacht bij de Duitsers vanwege zijn marxistische overtuigingen en moest ontslag als hoogleraar aanvaarden in 1942. Van 30 januari tot 20 april 1942 werd hij met 84 andere Amsterdamse gijzelaars gevangen gehouden in het beruchte Kamp Amersfoort ("Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort"). Toen hij later merkte dat de Duitsers hem opnieuw zochten, dook hij min of meer onder op landgoed Oud Bussem te Bussum. In 2011 werd duidelijk dat Jan en Annie Romein ten minste één Joodse onderduikster in huis hadden gehad en ontving het echtpaar postuum de onderscheiding 'Rechtvaardige onder de Volkeren' van Jad Wasjem.
Hoewel Jan Romein al vanaf 1927 geen lid meer was van de communistische partij stond hij na het begin van de Koude Oorlog relatief geïsoleerd in de universitaire wereld in Nederland vanwege zijn marxistische opvattingen, hoewel deze niet dogmatisch waren. In 1949 werd hem de toegang tot de Verenigde Staten geweigerd, waar hij op uitnodiging een lezing zou houden tijdens een internationale wetenschappelijke conferentie in Princeton. Daarentegen kreeg hij een warm welkom als gasthoogleraar in het pas onafhankelijk geworden Indonesië tijdens het academisch jaar 1951-1952. Hij doceerde onder andere aan de Gadjah-Mada universiteit in Jogjakarta. Veel van zijn toehoorders kenden hem van zijn publicaties over het ontwaken van het Aziatisch nationalisme uit de jaren dertig.
De laatste tien jaren van zijn leven besteedde Romein vooral aan het schrijven van Op het breukvlak van twee eeuwen. Als gevolg van een chronische ziekte die zich in 1959 openbaarde, beperkte hij in dat jaar zijn hoogleraarschap aan de Universiteit van Amsterdam tot de Theoretische Geschiedenis. Romein overleed in 1962 op 68-jarige leeftijd te Amsterdam.
Eén van Romeins bekendste promovendi was Bernard Slicher van Bath, die later hoogleraar in Wageningen en Groningen werd.

Werk
Jan Romein beschreef de geschiedenis vanuit een marxistische invalshoek. De klassentegenstellingen en de materiële verhoudingen bepaalden in zijn visie de loop van de geschiedenis. Hij werd diepgaand beïnvloed door de Leidse hoogleraar en cultuurhistoricus Johan Huizinga en de Duitse economisch filosoof Karl Marx.

Boeken
Romein heeft, na zijn proefschrift, nog vijf grote historische studies in boekvorm geschreven, waarvan twee samen met Annie Romein-Verschoor. Ook anderen hebben bijgedragen aan boeken onder zijn redactie. Mede door zijn interesse voor het verschijnsel van de sterke staat, en de opkomst daarvan in West-Europa pas na de Middeleeuwen, besloot Romein zijn tweede boek te wijden aan de geschiedenis van staat en maatschappij in het Oost-Romeinse Rijk (Byzantium, 1928). Deze duizendjarige beschaving had, vanaf de val van het West-Romeinse Rijk rond 400 tot de inneming van Constantinopel door de Osmaanse Turken in 1453, als een bolwerk het versnipperde en verzwakte West-Europa behoed voor invallen uit het Nabije Oosten, onder andere van islamitische Arabieren. Romeins eerste boekpublicatie op het terrein van de Nederlandse geschiedenis was een pioniersstudie over de Nederlandse geschiedschrijving in de Middeleeuwen (1932): een degelijke inventarisatie van alle gedrukte kronieken. Tot zijn meest verkochte en gelezen boeken behoren De lage landen bij de zee (1e druk 1934, 8e druk 1979) en Erflaters van onze beschaving, een vierdelig werk (1e druk 1938-1940, 13e druk 1979) met 36 korte biografieën van belangrijke Nederlanders uit zes eeuwen. Beide boeken schreef hij samen met echtgenote en collega-historica Annie Romein-Verschoor. In de jaren dertig kreeg Jan Romein bovendien vooral in kringen van journalisten en studenten in Nederland en Vlaanderen naamsbekendheid door zijn veel gelezen journalistieke boek Machten van deze tijd (1932), waarin hij een helder inzicht gaf in de belangrijkste problemen van de internationale politiek; supplementen volgden in de jaren daarna t/m 1939. Op wetenschappelijk gebied onderscheidde hij zich onder andere door artikelen, die in 1937 voor het eerst werden gebundeld (Het onvoltooid verleden; kultuurhistorische studies). Hieruit is vooral te noemen het in 1935 voor het eerst gepubliceerde artikel 'De dialectiek van de vooruitgang, bijdrage tot het ontwikkelingsbegrip in de geschiedenis'. Hij beschrijft hierin het weerkerend fenomeen in de economische geschiedenis, waarbij vernieuwers of trendsetters op een bepaald ogenblik worden bijgehaald en zelfs achtergelaten door de trendvolgers. Een Duitse vertaling verscheen als Dialektik des Fortschritts in: Mass und Wert. Zweimonatsschrift für freie deutsche Kultur, onder redactie van Thomas Mann en Konrad Falke (deel 2, Zürich, Zwitserland, 1939). In 1946 introduceerde Jan Romein in Nederland de theoretische geschiedenis (of theorie en methodologie van de geschiedenis) als onderwerp in het academische curriculum. Door Jacques Presser, die Romein in 1959 in zijn leerstoel aan de Universiteit van Amsterdam opvolgde, is de theoretische geschiedenis 'het meest blijvende legaat' genoemd dat Romein de geschiedwetenschap in Nederland heeft nagelaten. Vooral in zijn laatste grote boek Op het breukvlak van twee eeuwen bedoelde Romein een integrale visie op de geschiedenis te geven. Hij poogde de overgangsjaren van de negentiende naar de twintigste eeuw in al hun facetten te beschrijven, in het bijzonder de omslag tussen de Europese suprematie in de wereld en het begin van het verval daarvan. Op het breukvlak van twee eeuwen verscheen, door de zorg van zijn vrouw en met hulp van enkele specialisten voor bepaalde onderwerpen, postuum in 1967. Een geautoriseerde Engelse vertaling The Watershed of Two Eras. Europe in 1900 (1978) ontving gunstige recensies van de vakpers in de Engelstalige wereld.
Naast boeken verschenen van de hand van Romein ook tientallen artikelen, waarvan vele werden gebundeld. Zijn bibliografie telt in totaal 358 nummers. De boeken van Romein worden ook vandaag de dag nog gelezen. Net als bij Johan Huizinga munten ze uit in hun beheersing van de Nederlandse taal.

Anne Frank
In 1946 kreeg zijn vrouw het dagboek van Anne Frank in handen, waarvoor zij een uitgever trachtte te vinden. Zij slaagde hier niet in en gaf het dagboek aan haar echtgenoot. Jan Romein schreef vervolgens een artikel dat verscheen op de voorpagina van Het Parool. Dit was de eerste publicatie over het dagboek van Anne Frank en over Anne Frank zelf. Na de publicatie van het artikel ontstond er belangstelling van een aantal uitgevers en het jaar daarop kon het dagboek van Anne Frank daadwerkelijk uitgegeven worden.

Betje Wolff
(Elizabeth Wolff-Bekker, Vlissingen, 24 juli 1738 - Den Haag, 5 november 1804) was een Nederlands schrijfster.

Betje Bekker werd geboren in een gegoede calvinistische familie. Ze had een onstuimig karakter en vrijzinnige ideeën.
Ze trouwde op 18 november 1759 met de 52-jarige predikant Adriaan Wolff. In 1763 debuteerde zij met de bundel Bespiegelingen over het genoegen. In 1777, na de dood van haar echtgenoot, ging Wolff samenwonen met Aagje Deken en begonnen zij gezamenlijk te publiceren. Hun grootste successen waren de briefromans De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782) en Historie van den heer Willem Leevend (1784-1785). In 1778 verhuisden Wolff en Deken naar De Rijp. In 1782 vestigden ze zich in Beverwijk.

Vanwege hun patriottische sympathieën verhuisden Wolff en Deken in 1788 naar Trévoux bij Lyon in het departement Ain (regio Rhône-Alpes). In 1789 verscheen Wandelingen door Bourgogne. Tussen 1793 en 1796 schreven ze aan Historie van Mejuffrouw Cornelia Wildschut, of De gevolgen van de opvoeding, een roman in 6 delen. Door financiële nood moesten zij in 1797 terugkeren naar Holland, waar ze in Den Haag woonden. Wolff stierf in Den Haag; enkele dagen na haar overlijden stierf ook Deken. Beide vrouwen liggen begraven op de begraafplaats Ter Navolging in Scheveningen.

 

Agatha Pieters (Aagje) Deken
(Nieuwer-Amstel, ? (gedoopt 10 december 1741) – Den Haag, 14 november 1804) was een bekende Nederlandse schrijfster.

Agatha Deken werd geboren in 1741 in Nes aan de Amstel, gemeente Nieuwer-Amstel (thans Amstelveen). In 1745 overleden haar ouders en werd zij ondergebracht in het collegianten-weeshuis 'De Oranje Appel' aan de Huidenstraat 2 in Amsterdam. Daar bleef ze tot 1767. Op latere leeftijd schrijft zij in haar "geschrift eener bejaarde vrouw" daarover: "De meisjes hebben het daer voor hunnen stand in de waereld al te wel: men leert haer daer denken!". Na het verlaten van het weeshuis had ze verschillende dienstbetrekkingen. Later begon ze een koffie- en theehandeltje. In 1769 werd Deken lid van de Doopsgezinde Gemeente in Amsterdam.
Toen Aagje Deken 29 was, nam ze haar intrek bij haar vriendin Maria Bosch, als ziekenverzorgster. Maria Bosch overleed in 1773. In 1775 verscheen de bundel 'Stichtelijke gedichten', die Deken samen met Maria Bosch had geschreven.

In 1776 begon de briefwisseling tussen Aagje Deken en Betje Wolff, die toen al enige werken op haar naam had staan. In oktober van dat jaar ontmoetten zij elkaar voor het eerst. Nadat in 1777 Betjes man, dominee Wolff, overleed, trok Deken bij Wolff in. In september 1777 betrokken zij samen een huurhuisje in De Rijp, en publiceerden zij hun eerste gemeenschappelijke werk: 'Brieven'. In 1781 erfde Deken ruim 13.000 gulden en de twee gingen in het buiten 'Lommerlust' in Beverwijk wonen. Ze schreven samen nog 'De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart', dat een groot succes werd, en de 'Historie van den heer Willem Leevend'.

Uit onvrede met de situatie in eigen land (na het neerslaan van de opstand van de >patriotten in 1787) verhuisden Wolff en Deken in 1788 naar Trévoux in Bourgondië. In 1789 verscheen 'Wandelingen door Bourgogne'.

Door financiële nood moesten zij in 1797 terugkeren naar Holland, waar ze in Den Haaggingen wonen. Aagje Deken stierf daar uiteindelijk, op 14 november 1804, negen dagen na Betje Wolff. Beiden werden begraven op de begraafplaats Ter Navolging in Scheveningen.
Zowel in de Nes aan de Amstel als in zijn monumenten opgericht; respectievelijk een bronzen beeld van een zittende en staande vrouw die samen een boek lezen, en een fontein.

Johanna E. Kuiper,
(1896-1956) roepnaam Hannie (de bijna drie jaar oudere zuster van Frits Kuiper), doopsgezind theologe, raakte bekend in Nederland door haar kinderbijbels en als schrijfster van kinder- en jeugdboeken en als vertaalster.
Johanna Kuiper studeerde aanvankelijk theologie aan de Universiteit van Amsterdam. Daarna volgde ze een opleiding aan de School voor Maatschappelijk werk. In haar studententijd was ze aktief lid van de N.C.S.V. en schreef bijdragen voor Eltheto. Haar eerste werkkring vond ze als woninginspectrice in de Limburgse mijnstreken.

Zij voelde zich sterk aangetrokken tot het socialisme, wat zich ook weerspiegelt in haar werken. In 1950 werd ze benoemd als godsdienstlerares aan de Doopsgezinde Gemeente te Amsterdam. Ze schreef een veertigtal kinderboeken en twee kinderbijbels. Daarnaast vertaalde ze veel boeken, waaronder dertien van de amerikaanse evangelist Stanley Jones.

Biografie van Johanna E. (Hannie) Kuiper, schrijfster en domineesvrouw: 

"... twee 'onechte' kinderen, een radicaal linkse politieke overtuiging maar evenzeer aanwezige
vroomheid, doperse (doopsgezinde) wortels, een van de eerste Nederlandse bommoeders, een
onafhankelijk strijdbaar karakter, vele jaren maîtresse van een Amsterdamse stadsbestuurder
(Floor Wibaut), geboren schrijfster en vertaler, strijdend voor vrouwenrechten en seksueel
vrijmoedig, ..." 
"Hannie Kuiper? Dat was me een portret!"

Zij woonde met haar man Klaas Abe Schipper jarenlang op de pastorie van Etersheim.  Haar werd de Israëlische Yad Vashem onderscheiding toegekend vanwege haar hulp aan Joodse onderduikers op de pastorie.
Van deze bijzondere vrouw is een biografie verschenen: "Johanna E. Kuiper - 1896 Gewaagd Leven 1956.

Anthony Winkler Prins
(Voorst, 30 januari 1817 – Voorburg, 4 januari 1908), geboren als Anthonij Prins was een Nederlandse encyclopedist, schrijver, dichter, dominee en vrijmetselaar. Hij was hoofdredacteur van de later naar hem genoemde Winkler Prins encyclopedie.

Levensloop
Winkler Prins werd geboren te Voorst als zoon van de apotheker Jacob Prins en Johanna van Marle Winkler. Over zijn geboortedag bestaat enige verwarring. In de tweede druk van de door hemzelf geredigeerde encyclopedie staat 31 januari 1817 vermeld, maar de geboorteakte vermeldt 30 januari.
Hij studeerde natuurwetenschappen en letteren aan de Universiteit Utrecht, en theologie aan het Doopsgezind Seminarium te Amsterdam. Van 1841 tot 1850 was hij predikant te Tjalleberd. Op 33-jarige leeftijd werd hij doopsgezind predikant te Veendam, voor een jaarsalaris van duizend gulden.
Winkler Prins is vandaag de dag bij de meeste mensen vooral bekend van de naar hem vernoemde encyclopedie, maar in Veendam wordt hij nog steeds om veel meer zaken geëerd. De Rijksscholengemeenschap is naar hem vernoemd en in het Veenkoloniaal Museum herinneren nog veel zaken aan deze productieve man. Veendam is niet alleen de plaats waar hij een deel van zijn leven heeft gewoond, ook realiseerde hij voor zijn gemeente een hogere burgerschool, een Latijnse school voor meisjes en een Kweekschool voor onderwijzers en onderwijzeressen. Hij was bij de loge L'Union Provinciale in de vrijmetselarij ingewijd. Winkler Prins was in 1878 medeoprichter van de vrijmetselaarsloge Het Noorderlicht te Veendam, waarvoor hij enkele gedichten en gezangen schreef. Op 31 oktober 1879 richtte hij met andere notabelen de Eerste Groninger Tramway-Maatschappij op. Deze zou op den duur de langste paardentramlijn van Europa onderhouden.

Naast het predikambt verrichtte hij tal van werkzaamheden zoals het schrijven van hoofdartikelen voor zes provinciale kranten, het maken van gedichten en almanakken in tijdschriften, het populariseren van boeken over natuurkunde en het vertalen van populair-wetenschappelijke werken uit het Engels en Duits.
Winkler Prins accepteerde het verzoek van de Amsterdamse uitgever Brinkman om hoofdredacteur te worden van een geïllustreerde encyclopedie. Dertien jaar heeft hij er aan gewerkt en in 1870 verscheen het eerste deel van de 'Geïllustreerde encyclopedie'. Twaalf jaar later, in 1882, verscheen het zestiende en laatste deel. In datzelfde jaar ging Winkler Prins, die inmiddels 65 was geworden, als dominee met emeritaat en verhuisde naar Amsterdam.
Nauwelijks had hij zich daar gevestigd of hij werd door de uitgeversmij Elsevier gevraagd om de encyclopedie te herzien en uit te breiden. De tweede druk verscheen al in 1884. In Amsterdam was hij onder andere voorzitter van een vrijmetselaarsloge. Na Amsterdam vestigde het echtpaar Winkler Prins zich te Lisse en daarna te Voorburg.

Een lied van zijn hand (getoonzet door Richard Hol) werd opgenomen in de liedbundel Kun je nog zingen, zing dan mee (1e druk in 1906). Het betrof een canon met de beginregels: 'Kling - klang! Kling - klang! Over het woud galmen de klokken als Eng'lengezang'. Door de populariteit en lange drukgeschiedenis van dit liedboek (41e druk in 1986) bleef dit decennialang een in ruime kring bekend liedje.
Winkler Prins bleef tot op hoge leeftijd uiterst energiek en vitaal. Hij was 78 jaar toen hij met een van zijn vier zoons over de Kagerplassen van Lisse naar Leiden schaatste en terug. Op zijn tachtigste preekte hij weer eens in Veendam en op Schiermonnikoog. Voor de Delftse Courant schreef hij nog 150 hoofdartikelen. In totaal zou hij in zijn leven 39.000 velletjes A4 hebben volgeschreven.

Winkler Prins overleed in 1908 op 90-jarige leeftijd te Voorburg. Na zijn overlijden opende een dochter een briefje van hem. Daarin stond:
"Als ik mocht overlijden, dan mogen mijn vrouw en kinderen weten dat ik een lang en gelukkig leven heb gehad. Het bericht van mijn overlijden moet alleen geplaatst worden in de Nieuwe Veendammer Courant."

Herbegrafenis
Winkler Prins werd te Voorburg begraven, evenals drie jaar later zijn echtgenote Henriëtta Klijnsma. Het graf raakte erg verwaarloosd en er stond zelfs geen grafsteen, alleen een paaltje met het nummer 48. Dat Winkler Prins indertijd in Voorburg en niet te Veendam werd begraven had waarschijnlijk een praktische reden: destijds zou elke gemeente op de route tussen Voorburg en Veendam apart toestemming voor doortocht van de lijkkist hebben moeten verlenen.
Mede op grond van het briefje van Winkler Prins ijverde Petra Maters, directeur van het Veenkoloniaal Museum, vanaf 2003 voor herbegrafenis van het echtpaar Winkler Prins te Veendam. Het college van burgemeester en wethouders van Veendam noemde de verbondenheid van Winkler Prins met Veendam een goede reden om tot herbegrafenis over te gaan. Begin 2005 gaf de gemeente Leidschendam-Voorburg hiervoor toestemming. Het echtpaar is op 9 september 2005 in Veendam herbegraven, naast het graf van de moeder van Winkler Prins en dat van een van zijn zoons. Er is een grafsteen geplaatst met de tekst 'Teruggekeerd in Veendam op september 2005'. In de gemeente Leidschendam-Voorburg is op 13 september 2008 een gedenkteken onthuld voor Winkler Prins vlak bij het huis waar hij gewoond heeft, op de Laan van Nieuw Oosteinde 17.

Ericus Gerhardus Verkade
(Vlaardingen, 20 november 1835 – Hilversum, 8 februari 1907) was een Nederlands industrieel en oprichter van het bedrijf Verkade.
Verkade werd geboren in Vlaardingen als zoon van een notaris. Toen zijn vader overleed verhuisde hij met zijn moeder naar de Zaanstreek, waar zij vandaan kwam. Na zijn schooltijd (hij zat op een kostschool) begon Verkade met het geld dat hij geërfd had een fabriekje in patentolie. Dit fabriekje brandde in 1875 af, waarna Verkade zich samen met zijn zwager ging toeleggen op het handelen in oliehoudende granen. In 1883 stopten de zwagers met deze handel
Op 2 mei 1886 richtte hij Stoom-Brood en Beschuit-fabriek 'De Ruyter' op. Deze naam was gekozen omdat de eerste meelmolen van Westzaandam zo heette. De producten die De Ruijter aanvankelijk maakte waren brood en beschuit, later werden andere producten als honingontbijtkoekjes en langetjes aan het assortiment toegevoegd.
In 1898 begon hij in een nieuwe fabriek in Amsterdam met de productie van waxinelichtjes. Het patent hierop kocht hij van zijn schoonzoon Morris Broad Fowler.
Ericus Gerhardus Verkade trok zich in 1900 terug uit het zakenleven en droeg de zaken over aan zijn gelijknamige zoon en diens broer.
Op 13 mei 1857 trouwde hij in Zaandam met Trijntje Smit. Zij overleed reeds op 1 mei 1863. Op 9 juni 1865 hertrouwde hij in Wedde met Eduarda Thalia Koning. Uit dit huwelijk stammen o.a. kunstschilder Jan Verkade en toneelleider/acteur/regisseur Eduard Verkade.


Duyvis
is een doopsgezinde familie uit Koog aan de Zaan die een aantal bedrijven heeft opgericht. Het betrof bedrijven in de voedingsmiddelenindustrie en een machinefabriek.
De geschiedenis van Duyvis ving aan met Teewis Duyvis, die in 1806 een oliemolen in de Zaanstreek erfde van zijn oom. Deze molen, die De Ooijevaar heet en nog steeds bestaat, verwerkte lijnzaad tot lijnolie en lijnkoeken. De laatste werden als veevoer gebruikt. Ook oliemolen De Poelsnip, die in 1917 werd stilgezet, behoorde toe aan Duyvis. Op het hoogtepunt bezat Duyvis 5 oliemolens en 2 pelmolens.
De kleinzoon van Teewis, die ook Teewis heette, nam het bedrijf over in 1850. Het bedrijf breidde zich uit met meerdere oliemolens, en heette aanvankelijk Teewis Duyvis Jansz., naar de kleinzoon van de eerste Teewis. In 1880 bouwde Ericus Gerard Duyvis, de zoon van de tweede Teewis, een stoomoliefabriek. Nog steeds produceerde het bedrijf vooral veekoeken. Vanaf 1908 ging het bedrijf ook lijnolie exporteren en in 1920 begon men ook met het raffineren daarvan.
Het bedrijf werd tussen 1920 en 1930 een van de grotere olie-exporteurs van Nederland. In de crisistijd liep de afzet terug, en ging de inmiddels N.V. geworden firma slaolie produceren voor consumenten. In en vlak na de Tweede Wereldoorlog stagneerde de import van de benodigde grondstoffen voor de olieproductie. Het bedrijf ging over op andere plantaardige oliesoorten.


Honig
was een zetmeel- en voedingsmiddelenconcern uit Koog aan de Zaan genoemd naar de doopsgezinde familie Honig. Het voorgeslacht hield zich vooral met de papierfabricage bezig, zie Honig Breet. Het merk Honig voor droge soepen en pastas is sinds het jaar 2000 eigendom van H.J. Heinz Company.

Geschiedenis

Op 9 mei 1867 kocht Klaas Honig de houten stijfselmakerij De Troffel te Koog aan de Zaan voor zijn zoon Meindert. Dit bedrijf wist vele kleinere stijfselfabrieken van de markt te verdrijven. Dit leidde tot de oprichting, in 1895, van de N.V. Stijfselfabriek "De Bijenkorf". In 1899 werd deze vergezeld van de fabriek De Bij. Hier werd maisstijfsel, maizena en later ook pudding vervaardigd. Het logo was een bijenkorf met daaromheen zeven bijen, het geheel in een zeshoek geplaatst. In 1905 waren er 107 werknemers. De productie vond voornamelijk plaats op basis van mais en men produceerde naast maiszetmeel ook maisglutenvoer en maisolie.
In 1914 werd de stijfselfabriek Stam & Co. te Nijmegen overgenomen. Deze ging verder als N.V. Stijfselfabriek "Hollandia" en werd de eerste nevenvestiging van Honig. Hier werd tarwezetmeel geproduceerd, wat een grondstof was voor soepen en later ook voor vermicelli. Omstreeks 1924 werd de Oostzaanse tarwestijfselfabriek "De Arend" (voorheen: "Het Varken") van A. Latenstein overgenomen. Deze brandde in 1925 af, waarna de productie naar Nijmegen werd overgebracht.
De Honig-fabrieken gingen in 1965 met een aantal Noord-Nederlandse aardappelzetmeelfabrieken van het Scholten-concern samen in Koninklijke Scholten-Honig, dat echter in 1978 surseance van betaling moest aanvragen. Er waren bedrijfsbezettingen te Foxhol en Koog aan de Zaan, om behoud van werkgelegenheid te eisen. De maiszetmeelfabriek ZBB De Bijenkorf werd gered door een staatdeelname van 40%. De tarwezetmeelfabriek Latenstein in Nijmegen werd in 1978 gekocht door Wessanen. De voedingsmiddelenfabrieken en merkartikelen van Honig werden overgenomen door CSM die ze in 2000 aan de H.J. Heinz Company doorverkocht.


Albert Heijn (1865-1945)
De uit een Oostzaans kruideniersnest afkomstige Albert Heijn (Oostzaan, 15 oktober 1865 - Amsterdam, 13 november 1945) was de grondlegger van de gelijknamige supermarktketen. Hij nam op 27 mei 1887 (zijn trouwdag) de kruidenierswinkel van zijn vader Jan Heijn in de Kerkbuurt van Oostzaan over. Het werd een groot succes waardoor hij acht jaar later een filiaal kon openen in Purmerend.
Al vanaf 1895 legde Heijn zich naast de verkoop tevens toe op de productie van levensmiddelen. Zo werden in de keuken van een herenhuis in Zaandam koekjes gebakken en koffie werd gebrand achter de winkel in Oostzaan.
Heijn gaf de leiding over het bedrijf in 1920 over aan zijn zoons Jan Heijn en Gerrit Heijn, en zijn schoonzoon Johan Hille. Later zouden zijn kleinkinderen Albert en Gerrit Jan Heijn het familiebedrijf verder uitbouwen.

Bram van der Lek
(Delft, 20 mei 1931 – Dieren, 29 november 2013) was een Nederlands politicus. Namens de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) was hij lid van de Tweede Kamer, de Eerste Kamer en het Europees Parlement. Tot 1993 was hij voorzitter van de Vereniging Milieudefensie.

Loopbaan
Van der Lek bracht zijn jeugd door in zijn geboortestad Delft. In 1950 verhuisde hij tijdens zijn gymnasiumopleiding naar Den Haag, waar hij aan het Gymnasium Haganum zijn middelbare schoolopleiding voltooide. Vervolgens studeerde hij biologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht tot 1956. Hij promoveerde aan die universiteit in 1967 en gaf enige jaren les aan de Werkplaats Kindergemeenschap te Bilthoven.

Twee jaar na zijn afstuderen werd hij lid van de PSP. Van 1967 tot 1971 was hij lid van de Tweede Kamer. In 1972 volgde hij Hans Wiebenga op als lijsttrekker van de PSP en werd hij fractievoorzitter in de Tweede Kamer. Na een verkiezingsnederlaag in 1977 werd hij in 1978 als fractievoorzitter opgevolgd door Fred van der Spek. Van 1981 tot 1983 was Van der Lek voorzitter van de PSP, terwijl hij van 1983 tot 1984 de partij vertegenwoordigde in de Eerste Kamer en de Kamerfractie leidde. Hij verliet de senaat om lid te worden van het Europees Parlement, wat hij tot 1989 bleef.
In de Tweede Kamer was hij met name actief op het terrein van het milieu. Hij was de eerste die, tot verbazing van de rest van de Kamer, dit toen nieuwe begrip bezigde. In 1972 schreef hij Het Milieuboekje, een van de eerste Nederlandstalige populaire publicaties over het milieuvraagstuk. Hij zette zich ook actief in om de vervuiling in de Rotterdamse en Amsterdamse industriegebieden tegen te gaan.

Van der Leks opvattingen over menselijke vrijheid leidden enige malen tot opvallende optredens. Hij schaarde zich tijdens de bezetting van Dennendal, destijds de zwakzinnigenafdeling van de Willem Arntsz Stichting te Den Dolder, in 1971 achter de bezetters. Hij steunde de vernieuwende opvattingen over meer vrijheden voor zwakzinnigen uitgedragen door de rebellerende zorgverleners onder leiding van psycholoog Carel Muller. Hij liet zich, toen het paviljoen door de politie ontruimd werd, ook arresteren. Daarnaast sprak Van der Lek zich op 24 juni 1975 in een uitzending van de NCRV-actualiteitenrubriek Hier en Nu uit voor het legaliseren van (vrijwillig) seksuele omgang van kinderen met volwassenen  Deze stellingname van Van der Lek kwam overigens overeen met het verkiezingsprogramma van de PSP, waarin werd gepleit voor 'afschaffing van de strafbaarstelling van pedofilie'.

Op 24 april 1976 onthulde weekblad Elsevier dat op de Amerikaanse ambassade een lijst circuleerde met daarop de namen van dertig Nederlandse KGB-agenten, onder wie een Tweede-Kamerlid van een progressieve partij. De dagbladen De Limburger en BN DeStem maakten vervolgens bekend dat het hierbij om Van der Lek zou gaan. Van der Lek begon een proces om de bron van het verhaal te achterhalen. Een arrest van de Hoge Raad bepaalde uiteindelijk dat journalisten zich in dergelijke gevallen niet op een verschoningsrecht mogen beroepen. Ferry Hoogendijk, hoofdredacteur van Elsevier, voelde zich vervolgens verplicht om namen te noemen in een poging strafvervolging te ontlopen. Op 21 maart 1980 liet Van der Lek tijdens een persconferentie echter weten doodziek te zijn 'van een dergelijk steekspel met spitsvondigheden. Ik zet er nu een punt achter, ik geloof het verder wel'.

In de jaren '80 steunde Van der Lek de IKV-campagne tegen de kernwapens door met regelmaat artikelen in diverse dagbladen te publiceren. Ook werd hij voorzitter van de vereniging Milieudefensie.
Van der Lek overleed in 2013 op 82-jarige leeftijd.

Roelof Johannes Hendrik Kruisinga
(Grijpskerk, 27 augustus 1922 - Wassenaar, 7 december 2012) was arts en volksgezondheidsdeskundige, en was een CHU- en CDA-politicus en staatssecretaris en minister voor deze partijen.

Kruisinga werd geboren in Grijpskerk. Hij kwam uit een doopsgezinde familie, maar liet zichzelf op volwassen leeftijd bewust niet dopen en trad toe tot de Nederlandse Hervormde Kerk (nu deel van de PKN), naar eigen zeggen omdat hij het volkskerk karakter daarvan belangrijk vond. Hij specialiseerde zich tot kno-arts en promoveerde in 1955 aan de RUG op de dissertatie Slechthorendheid en het verstaan van spraak: een onderzoek naar de validiteit van het gehoororgaan. Hij vervulde als arts verschillende functies in de gezondheidszorg, werd uiteindelijk directeur-generaal van de Volksgezondheid en daarna staatssecretaris van Volksgezondheid en Verkeer en Waterstaat. Hij bracht in die functies wetgeving tot stand over lucht- en waterverontreiniging.

Hij volgde in 1973 Tilanus jr. op als fractievoorzitter van de CHU. In die positie voer hij een andere koers dan zijn collega-fractieleiders van de overige twee confessionele partijen, KVP en ARP, die gedoogden dat 6 politici van KVP- en ARP-huize op persoonlijke titel deelnamen aan het progressieve minderheidskabinet van Den Uyl; Kruisinga voerde samen met Wiegel oppositie tegen dit kabinet-Den Uyl. Om die reden werd hij door de PvdA-onderhandelaars in de kabinetsformatie van 1977 geweigerd als potentieel minister in een beoogd tweede kabinet Den Uyl.

Kruisinga was in het eerste kabinet-Van Agt korte tijd minister van Defensie. Hij trad al na een paar maanden af, omdat hij zich keerde tegen het Amerikaanse besluit een neutronenbom te gaan ontwikkelen. Als achtergrond van zijn bezwaren tegen het neutronenwapen noemde hij het doorwerken van het traditionele vredesgetuigenis uit zijn doopsgezinde verleden. Daarom bestond er voor zijn optreden ook binnen het kabinet weinig draagvlak.
Begin jaren tachtig was hij vicepresident van de Wereldgezondheidsorganisatie. Nadien zat hij van 1981 tot 1991 voor het CDA in de Eerste Kamer.

Bedrijfsleven
In 1979 richtte hij Cross Options op: een market maker voor de handel in opties op de European Options Exchange. Zijn zonen Jurjen en Hugo Kruisinga hebben hier de leiding overgenomen.

Seth Regner Gaaikema
(Uithuizen, 11 juli 1939 - 's-Hertogenbosch, 21 oktober 2014) was een Nederlands cabaretier, musicalschrijver en vertaler.

Biografie
Gaaikema werd geboren als zoon van twee doopsgezinde predikanten. Zijn grootvader van moederskant was Armeniër. Na een studie Nederlandse Taal- en Letterkunde, waarin hij de doctorandustitel behaalde, begon hij teksten te schrijven, onder meer voor Wim Kan. Zijn eerste eigen optreden als cabaretier was in 1967. Aanvankelijk trad hij op met een gezelschap, later maakte hij solo-voorstellingen.
In 1969 maakte Gaaikema zijn eerste oudejaarsavondprogramma, 'Heer ik kom hier om te twijfelen'. Zijn doorbraak als cabaretier beleefde hij echter een jaar later, toen hij met de oudejaarsconference Tien Miljoen Geboden de tien geboden van Mozes toetste aan de maatschappij van de jaren zeventig. In de jaren tachtig maakte hij oudejaarsconferences voor Veronica. Ook in de jaren negentig maakte hij enkele oudejaarsconferences. Gaaikema blonk vooral uit in woordspelingen. Door sommigen werd dit echter als oubollig ervaren, mede door het veelvuldig gebruik. Ondanks zijn grote productiviteit kreeg Gaaikema daardoor veel kritiek te verduren, van zowel recensenten als collega-cabaretiers.

Teksten schrijven ging Gaaikema goed af. Voor zijn teksten kreeg hij verschillende onderscheidingen. Aanvankelijk schreef hij voor Wim Kan, en sinds 1956 schreef en vertaalde hij ook teksten voor musicals. Dit begon toen de directeur van het Nieuwe de la Mar Theater hem vroeg om de liedjes in de musical My Fair Lady te vertalen. Daarna volgden Oliver, Kiss Me Kate, Driestuiversopera, Les Misérables, The Phantom of the Opera, Evita, Miss Saigon, Chicago en de operette La Vie parisienne.
Hij schreef verder musicals als Swingpop, Publiek, Grace, Kuifje: De Zonnetempel, Catharine en Adam en Eva (Duitsland).
Met de afscheidsvoorstelling Wat ik nog graag zou willen sloot Gaaikema na 55 jaar zijn carrière af in het theaterseizoen 2013-2014. Zijn laatste voorstelling vond plaats op 19 januari 2014 in de Stadsschouwburg in Groningen.

Gaaikema overleed op 21 oktober 2014 op 75-jarige leeftijd in het Jeroen Bosch Ziekenhuis aan hartfalen. Hij werd op 27 oktober 2014 begraven op Zorgvlied. Kort voor zijn overlijden werkte hij nog mee aan het televisieprogramma Sterren op het Doek waarin hij werd geïnterviewd door Hanneke Groenteman.

Winnifred (Winnie) Sorgdrager
(Den Haag, 6 april 1948) is een Nederlandse juriste en voormalige politica voor D66. Zij was procureur-generaal en minister van Justitie. Op dit moment is zij lid van de Raad van State en vervult ze diverse bestuursfuncties.
Na het gymnasium gevolgd te hebben in Arnhem van 1960 tot 1966, begon Sorgdrager aan een studie aan het conservatorium, die zij echter niet afrondde. Vervolgens studeerde zij geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Leiden, waarin zij haar propedeuse behaalde. Vanaf 1967 studeerde zij Nederlands recht aan Rijksuniversiteit Groningen. Zij behaalde haar doctoraalexamen in 1971. Tot 1979 werkte zij in diverse functies aan de Universiteit Twente. Daarna was zij tot 1986 officier van justitie bij de rechtbank van Almelo. Ze werd toen benoemd tot advocaat-generaal bij het gerechtshof in Arnhem. In 1991 volgde ze daar J.H.G. Boekraad op als procureur-generaal en in januari 1994 ging ze die functie bekleden in Den Haag.

Als procureur-generaal werd zij gezien als een toekomstig politiek gezicht van D66. Als minister van justitie in het kabinet-Kok I ("Paars I") kreeg zij echter achtereenvolgens te maken met de uitkomsten van de IRT-enquête, de gouden handdruk voor oud-procureur-generaal Van Randwijck en de "opstand der PG's" onder leiding van Arthur Docters van Leeuwen. Aan het eind van de avondvergadering waarin de opstand bekend werd gemaakt, sprak Sordrager nog tegen de pers: "Wat mij betreft is de gang van zaken absoluut normaal". Geconfronteerd met de bijverdiensten van haar hoogste ambtenaren zei Sorgdrager in de Tweede Kamer: "De oren vielen mij van mijn hoofd". Als minister van Justitie moest ze zich ook internationaal verantwoorden over het gevoerde drugsbeleid in Nederland, dat met name in Frankrijk op onbegrip stuitte, en over de euthanasiewetgeving.

Een ander pijnlijk moment voor Sorgdrager was het stuklopen van de vervolging van Desi Bouterse voor zijn betrokkenheid bij internationale drugshandel. Haar partijgenoot Hans van Mierlo, op dat moment minister van Buitenlandse Zaken, besloot in 1997 in overleg met de Amerikaanse regering om Bouterse niet te laten arresteren in Brazilië. In 1999 werd de Surinaamse ex-legerleider door het Haagse gerechtshof veroordeeld tot 11 jaar cel.
In 1998 stapte Sorgdrager uit de politiek. Ze werd voorgedragen voor de functie van Nationale ombudsman, maar zag daarvan af wegens het verzet in de Tweede Kamer. Ze werd enkele maanden lid van de Eerste Kamer voor D66, en was van 1999 tot 2006 voorzitter van de Raad voor Cultuur. Op 1 januari 2006 werd zij benoemd tot lid van de Raad van State.

Daarnaast heeft zij enkele nevenfuncties. Zij is lid van de Raad van Toezicht van de Universiteit Twente en van de Raad van Toezicht van het Leids Universitair Medisch Centrum. Ze is ook lid geweest van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie. In maart 2008 volgde zij Cees Fasseur op als voorzitter van het Multatuli-genootschap.
In december 2012 werd Sorgdrager benaderd door Marcel Wintels als voorzitter van de Onderzoeks- en adviescommissie antidopingaanpak die werd ingesteld door de wielerbond KNWU en sportkoepel NOC*NSF. Die commissie deed een half jaar onderzoek.

Dirk Krijn Johannes (Dick) Tommel
(Amersfoort, 18 april 1942), is een Nederlands politicus. Tommel studeerde scheikunde aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. In 1969 promoveerde hij in Utrecht in de natuurwetenschappen en wiskunde.

Van 1966 tot 1967 was hij leraar aan het Stedelijk Gymnasium Johan van Oldenbarnevelt van Amersfoort en daarna tot 1969 wetenschappelijk medewerker aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. Na een tijd wetenschappelijk onderzoeker te zijn geweest bij Unilever werkte hij als inspecteur voor Volksgezondheid en daarna als adjunct-directeur en chef hoofdafdeling milieuhygiëne Provinciale Waterstaat te Groningen van 1973 tot 1981.
Van 1983 tot 1994 was Tommel Tweede Kamerlid voor D66. Van 1994 tot 1998 was hij staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) in het kabinet-Kok I. In die functie voltooide hij de door zijn voorganger Enneüs Heerma in gang gezette herzieningsoperatie op het gebied van de financiering van de woningbouw.

Hij bekleedt diverse bestuursfuncties. Vanaf 2000 is hij voorzitter van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Op 31 december 2011 eindigde zijn laatste termijn als voorzitter. Vanaf 2002 is hij voorzitter van de Commissie taakstellingen en flankerend beleid beton- en metselzandvoorziening. Vanaf 2001 is Tommel voorzitter van het hoofdbestuur van Vastgoed Belang, een landelijke vereniging van particuliere verhuurders en beleggers in Nederland. Op 22 maart 2012 werd hij opgevolgd door Jan Kamminga.
In 1997 uitte Frits Bolkestein (VVD) in een artikel in dagblad Het Parool scherpe kritiek op Tommel, vanwege diens vroegere rol in de Vereniging Nederland-DDR (Tommel was tot de opheffing van deze vereniging in 1990 vicevoorzitter). Bolkestein noemde Tommel een "politiek onbenul".

Annemarie Jorritsma-Lebbink
(Hengelo (Gelderland), 1 juni 1950) is een Nederlands VVD-politica, bestuurder en televisiepresentatrice.

Levensloop
Jorritsma werd geboren als dochter van een molenaar. Na haar eindexamen middelbare meisjesschool in 1967 aan het Baudartius College te Zutphen, volgden de School voor toeristische vorming in Breda, MO Frans en tal van cursussen. Annemarie Jorritsma-Lebbink is belijdend lid van de Doopsgezinde Kerk. Ze is gehuwd met Gerlof Jorritsma en kreeg twee kinderen: Maayke (1974) en Minke (1977). Ze vestigde zich te Bolsward waar ze van 5 september 1978 tot 1988 lid van de gemeenteraad was voor de VVD. Voor dezelfde partij was ze sinds 1982 lid van de Tweede Kamer. In 1994 werd ze minister van Verkeer en Waterstaat in het eerste Kabinet Kok (veelal Paars I genoemd), en vanaf 1998 was Jorritsma minister van Economische Zaken en vicepremier in het tweede paarse kabinet.

Op 7 oktober 1997 kreeg ze de Jacoba van Beierenprijs, vanwege de slagvaardige aanpak van de verbetering van de rivierdijken. In 2002 raakte ze in opspraak door te innige relaties met het bouwbedrijf Koop Tjuchem; later bleek dat haar naam voorkwam in een zogeheten schaduwboekhouding. In 2003 ergerde ze de parlementaire enquêtecommissie Bouwnijverheid door haar terughoudendheid bij het beantwoorden van vragen van de commissie.

Op 18 augustus 2003 werd ze burgemeester van Almere na daarvoor korte tijd interim-burgemeester van Delfzijl te zijn geweest.
Begin 2004 volgde ze Jac Verhaegen op als voorzitter van de Raad van Commissarissen van Interpay, het huidige Equens. Ze werd hiermee de eerste president-commissaris bij Interpay die niet in de bankenwereld werkte. Deze functie heeft ze inmiddels neergelegd. Sinds 2008 is zij voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

In 2008 werd bekend dat ze het programma Jorritsma Blikt Vooruit gaat presenteren. Dit programma wordt uitgezonden op RTL7 Daarnaast deed ze samen met Dieuwertje Blok en Jeroen Kramer verslag van de landelijke Sinterklaasintocht van datzelfde jaar, die in Almere plaatsvond.

Jorritsma solliciteerde in 2010 naar het burgemeesterschap van Amsterdam. Zij werd door de vertrouwenscommissie voorgedragen als de eerste keuze, maar de gemeenteraad koos uiteindelijk voor de PvdA'er Eberhard van der Laan als opvolger van Job Cohen. Vanuit Almere kreeg Jorritsma kritiek van verschillende oppositiepartijen dat zij door de sollicitatie liet zien niet genoeg betrokken te zijn bij Almere.

Krista van Velzen
(Sint Nicolaasga, 15 september 1974) is een voormalig politicus en was van 2002 tot 2010 lid van de Nederlandse Tweede Kamer voor de Socialistische Partij.

Levensloop
Van Velzen werd geboren in een doopsgezinde familie en is nog steeds doopsgezind. Tijdens haar middelbare schoolperiode werkte zij als vrijwilliger bij het IVN (Instituut voor Natuurbeschermingseducatie). Na het vwo op het Newmancollege in Breda en de propedeuse van de HBO-opleiding voor Bos- en Natuurbeheer besloot Van Velzen als vrijwilliger te gaan werken bij Stichting Kollektief Rampenplan, een biologisch-vegetarische catering die door heel Europa acties en manifestaties ondersteunt door te koken voor activisten.

Ontwapening
In 1995 organiseerde zij een voettocht van Brussel naar Moskou voor een kernwapenvrije wereld. De jaren daarna was Van Velzen actief in de campagne 10 jaar na Tsjernobyl en bij de Tsjechische milieudefensie tegen de aanleg van de Temelin-kerncentrale. Ook werkte zij in het Belgische Gent bij de actiegroep Voor Moeder Aarde (later opgegaan in Friends of the Earth Vlaanderen) in diverse campagnes rond kernwapens, kernenergie en geweldloosheid.
Van Velzen is betrokken bij directe ontwapeningsacties bij marinebasis Faslane in Schotland, waar zij eerder een nucleaire onderzeeër met een hamer te lijf ging om deze te 'demonteren', een actie waarbij ze gearresteerd werd. In januari 2007 werd ze opnieuw gearresteerd, samen met onder meer zes Britse parlementariërs, tijdens een (jaarlijkse) blokkadeactie bij de basis. Door haar acties heeft zij een strafblad.
Tijdens de Kosovo-oorlog organiseerde zij een voettocht van het Internationaal Gerechtshof in Den Haag naar het NAVO-hoofdkwartier in Brussel. Ook in 1999 richtte zij in Gent het Ecologisch Centrum op. In de zomer van datzelfde jaar begon Krista van Velzen haar werk bij de SP-Tweede Kamerfractie waar zij zich als fractiemedewerker bezighield met defensie, landbouw en voedselveiligheid. Vanuit die functie had zij ook plaats in de werkgroep gentechnologie en schreef mee aan de SP-brochure Wat moeten we met de genetische technologie.
In het begin van de zomer 2008 speelt zij een rol in de klokkenluiderzaak Fred Spijkers.

Kamerlidmaatschap en werk nadien
Bij de verkiezingen van mei 2002 werd ze gekozen als Tweede Kamerlid voor de SP. Ze hield haar maidenspeech over 17-jarigen in dienst bij de krijgsmacht op 25 juni 2002 Bij de Tweede Kamerverkiezingen 2006 werd ze als vijfde op de lijst van de SP met ruim 14 duizend voorkeursstemmen herkozen als Kamerlid. Van Velzen zit in het Comité van Aanbeveling van het Nederlands Sociaal Forum. Na haar vertrek als kamerlid ging zij werken als vrijwilliger in een hospice (palliatieve zorg). Sinds 2012 werkt ze als campagnemedewerker nucleaire ontwapening bij IKV Pax Christi. Zij is actief binnen de ICAN, de International Campaign to Ban Nuclear Weapons.

Juliana Louise Emma Marie Wilhelmina van Oranje-Nassau (Den Haag, 30 april 1909 – Baarn, 20 maart2004) was koningin der Nederlanden van 4 september 1948 tot en met 30 april 1980 (de inhuldiging vond plaats op 6 september 1948).

Zij bezocht vele malen de Doopsgezinde kerk.